- In het kort
- Introductie
- Inhoudsopgave
- 1. Wat is artrose in je voet, enkel of teen?
- 2. Welke klachten passen en wanneer moet je hulp zoeken?
- 3. Hoe wordt artrose onderzocht?
- 4. Wanneer verklaart artrose je voet-, enkel- of teenklachten?
- 5. Waarom artrose op een foto niet automatisch voet-, enkel- of teenpijn verklaart
- 6. Kan artrose overgaan en hoe verloopt het?
- 7. Wat kun je zelf doen?
- 8. Welke behandelingen kunnen helpen?
- 9. Wat als de pijn blijft, terugkomt of verandert?
- 10. Kunnen spieren en triggerpoints meespelen?
- 11. Welke rol spelen werk, sport en overbelasting?
- 12. Wanneer wijzen artroseklachten op een ontregeld zenuwstelsel?
- 13. Wat is de verstandigste volgende stap?
- Veelgestelde vragen over artrose in voet, enkel en teen
- Bronnen

Alles over artrose in voet enkel teen- behandeling
In het kort
- Artrose verandert het kraakbeen, bot en andere weefsels van een gewricht. In je enkel, achtervoet, middenvoet of tenen kun je pijn, startstijfheid, zwelling en minder beweging merken. Een stijve grote teen kan het afzetten hinderen; bij enkelartrose kunnen lopen, hurken of traplopen lastig zijn. Soms speelt eerder gewrichtsletsel mee.
- De arts onderzoekt de pijnplek, beweging, het lopen en zo nodig gevoel en kracht. Een röntgenfoto kan extra botranden en minder ruimte tussen de botten tonen; de klachten en het lichamelijk onderzoek moeten daarbij passen. Een staande opname helpt de stand tijdens belasten beoordelen. Alleen bij een gerichte vraag volgt bijvoorbeeld een echo voor een pees, een MRI voor mogelijk botletsel of zenuwgeleidingsonderzoek om te meten hoe een zenuw signalen doorgeeft.
- Neem direct contact op bij een plots koude, bleke of verkleurde pijnlijke voet, nieuwe duidelijke uitval of een warme dikke voet met koorts of ziek voelen. Laat een plots niet belastbare voet snel beoordelen. Heb je diabetes en ontstaat een warme, rode, dikke voet of een nieuwe wond? Neem dezelfde dag contact op. In paragraaf 2.5 staan de concrete signalen en contactroutes.
- Passend bewegen, schoenen, oefeningen en soms pijnstilling kunnen helpen bij lopen en dagelijkse activiteiten. Een zool, spalk, injectie of operatie wordt gekozen voor het betrokken gewricht en jouw beperkingen. Pijn en functioneren kunnen verbeteren terwijl de artrose op de foto blijft bestaan; er is geen vaste hersteltijd voor iedereen.
- Blijven klachten na behandeling bestaan, laat dan opnieuw beoordelen wat wel en niet is veranderd. Ook pezen, triggerpoints/spierknopen, een zenuwprobleem of gewrichtsontsteking kunnen klachten geven. Branden of een doof gevoel onder de voet wordt bijvoorbeeld niet vanzelf verklaard door artrose van het grote-teengewricht.
- Verklaart artrose je klachten onvoldoende en wisselen ze sterk bij vergelijkbare activiteiten, of veranderen ze duidelijk door stress, ontspanning of afleiding? Dan kan een ontregeld zenuwstelsel een belangrijke rol spelen. De gratis Artrose test hieronder helpt je zulke positieve aanwijzingen herkennen; de uitkomst wordt naast je medische beoordeling gelegd.
Belangrijk om te weten
Een röntgenfoto laat veranderingen in het gewricht zien, maar niet hoe gevoelig je zenuwstelsel reageert. Wie alleen naar de foto kijkt, kan een ontregeld zenuwstelsel als mogelijke verklaring over het hoofd zien. Daarom kijkt een behandelaar ook naar hoe je klachten wisselen en reageren op spanning, ontspanning en dagelijkse situaties.
Gratis Artrose test
Met de gratis Artrose test krijg je een eerste indicatie van de mate waarin een ontregeld zenuwstelsel bij jouw klachten kan meespelen. De vragen gaan bijvoorbeeld over sterke wisselingen en veranderingen door spanning, ontspanning of afleiding. De uitslag helpt je een mogelijke vervolgaanpak te verkennen; het is geen medische diagnose.
Introductie
Doen de eerste stappen pijn? Wil je grote teen niet meer goed buigen, of blijft je enkel gevoelig na een oude breuk? De naam artrose kan verklaren wat er in een gewricht is veranderd. Daarmee is nog niet duidelijk welke behandeling bij jouw klachten past.
In dit artikel onderscheiden we de verschillende gewrichten. Je leest welke klachten en onderzoeksbevindingen bij elkaar horen, wat je zelf kunt doen en wat onderzoek laat zien over behandelingen. Ook bespreken we waarom klachten soms blijven bestaan nadat het gewricht al is behandeld.
BreinMedicijn richt zich op aanhoudende klachten waarbij een ontregeld zenuwstelsel een rol speelt. In dit artikel lees je wanneer die verklaring relevant is en welke vervolgstap bij je klachten past.
Inhoudsopgave
1. Wat is artrose in je voet, enkel of teen?
Artrose is een aandoening waarbij verschillende delen van een gewricht veranderen. Het kraakbeen, het bot eronder en het gewrichtskapsel kunnen betrokken zijn. Welke beweging daardoor moeilijker wordt, hangt af van het gewricht.
1.1 Wat verandert er in het gewricht?
Kraakbeen helpt de botuiteinden soepel langs elkaar bewegen. Bij artrose kan het dunner en onregelmatiger worden. Ook kunnen botranden ontstaan en kan het gewricht geïrriteerd raken.
Het woord ‘slijtage’ beschrijft dus niet alle veranderingen bij artrose. Het betekent niet dat elke stap het gewricht verder beschadigt of dat rust altijd de beste oplossing is. Passend bewegen blijft belangrijk voor wat je kunt doen. [1], [2]
1.2 Veroorzaakt artrose altijd pijn?
Nee. Artrose op een foto betekent niet automatisch dat die verandering je pijn veroorzaakt. Bij onderzoek naar chronische enkelklachten hing de artrose op de foto niet samen met de ernst van de pijn. Ook kan een grote-teengewricht op de foto verder veranderen zonder dat de pijn evenredig toeneemt. [32] [37]
Een arts vergelijkt daarom de precieze pijnplek, beweging en het verloop met het gewricht dat is veranderd. Hoofdstuk 4 helpt de aanwijzingen beoordelen. In hoofdstuk 5 lees je wat onderzoek bij voet, enkel en andere gewrichten laat zien over scanbevindingen zonder bijpassende pijn.
1.3 Om welk gewricht gaat het?
Je voet bevat veel gewrichten. Vraag bij een diagnose daarom welk gewricht precies bedoeld wordt en welke beweging daardoor moeilijker is.
TMT1 ligt in de middenvoet, terwijl MTP1 het gewricht aan de basis van de grote teen is. Een talus is het sprongbeen: een bot en geen afzonderlijke artrosediagnose. Ook “artrose in de voetzool” vertelt nog niet welk gewricht is veranderd. De afbeelding en de uitleg hieronder helpen de plekken uit elkaar te houden.
Gewrichten in de voet en bij de grote teen.


1.3.1 Enkel: het bovenste spronggewricht
Met enkelartrose wordt meestal artrose van het bovenste spronggewricht bedoeld: het gewricht waar het scheenbeen, de tibia, aansluit op het sprongbeen, de talus. Het kuitbeen, de fibula, vormt samen met het scheenbeen de enkelvork rond het sprongbeen.
Hier beweegt de voet vooral omhoog en omlaag. Een beperking kan merkbaar zijn bij lopen, hurken of traplopen. De tibiofibulaire verbinding tussen scheenbeen en kuitbeen is weer iets anders dan het tibiotalaire gewricht. [1], [3]

Het bovenste spronggewricht: scheenbeen, kuitbeen en sprongbeen.
1.3.2 Achtervoet: onder het sprongbeen
Het subtalaire gewricht ligt onder het sprongbeen, tussen talus en hielbeen. Het helpt de voet zich aan de ondergrond aan te passen. Klachten hier kunnen vooral opvallen op een scheve of ongelijke ondergrond.
Een probleem na een hielbeenbreuk kan deze regio betreffen. Dat is niet automatisch dezelfde aandoening als artrose van het bovenste spronggewricht. [1]
1.3.3 Middenvoet: wreef, TMT en Lisfranc
In de middenvoet liggen meerdere gewrichten onder en rond de wreef. De tarsometatarsale gewrichten, afgekort TMT, vormen de overgang naar de middenvoetsbeentjes. Deze regio wordt ook met de naam Lisfranc aangeduid.
Het talonaviculaire gewricht ligt tussen sprongbeen en scheepvormig been. Samen met het calcaneocuboïdale gewricht hoort het bij de gewrichtslijn van Chopart. Deze namen zijn geen synoniemen voor één gewricht. De precieze locatie doet ertoe bij een zool, injectie of operatie. [4]
1.3.4 Grote teen: MTP1 en hallux rigidus
MTP1 is het gewricht tussen het eerste middenvoetsbeentje en de grote teen. Het buigt bij het afzetten tijdens lopen. Artrose kan de beweging beperken en een botrand bovenop het gewricht geven. Een pijnlijke, stijve grote teen wordt vaak hallux rigidus genoemd.
Hallux valgus betekent dat de grote teen scheef staat. Dat is iets anders dan hallux rigidus, al kunnen problemen tegelijk voorkomen. [5]
1.3.5 Kleinere tenen: eigen gewrichten
Ook kleinere tenen hebben gewrichten bij hun basis en tussen de teenkootjes. Artrose kan daar voorkomen. Toch komt pijn in een kleine teen niet vanzelf uit een gewricht: schoendruk, een likdoorn, een nagelprobleem of een zenuw kan een andere verklaring geven.
De behandelresultaten bij MTP1 gelden niet automatisch voor deze kleinere teengewrichten.
1.4 Waardoor kan artrose ontstaan?
Bij artrose spelen verschillende factoren mee. Een eerder gewrichtsletsel kan van belang zijn, net als stand, stabiliteit en leeftijd. De oorzaak van een gewrichtsverandering, het begin van de pijn en de verklaring voor de pijn van vandaag zijn daarbij verschillende vragen. [1], [6]
1.4.1 Een eerdere breuk of gewrichtsblessure
Een breuk die het gewricht raakt, kan later het risico op artrose verhogen. Dat geldt bijvoorbeeld voor bepaalde enkelfracturen. Ook na een Lisfranc- of hielbeenletsel kan een specifiek voetgewricht veranderd zijn.
Niet iedere verzwikking leidt tot artrose. Kijk terug naar wat er werkelijk beschadigd was en beoordeel welke klachten daar nu bij passen. Pijn na een oude breuk kan ook door andere structuren ontstaan. [6]
1.4.2 Instabiliteit en een afwijkende stand
Bij blijvende instabiliteit of een afwijkende stand kan de belasting anders over een gewricht worden verdeeld. De arts beoordeelt daarom niet alleen de foto, maar ook stabiliteit, bewegen en afwikkelen.
Een zichtbare stand is niet automatisch de oorzaak van alle pijn. Een verandering van schoenen of ondersteuning is vooral zinvol als er een concreet probleem mee wordt aangepakt. [1], [4]
1.4.3 Leeftijd en andere gewrichtsaandoeningen
Artrose kan met toenemende leeftijd voorkomen, maar kent geen vaste leeftijdsgrens. Daarnaast bestaan andere gewrichtsaandoeningen, zoals reumatoïde artritis en jicht. Die hebben een eigen beoordeling en behandeling nodig.
Langdurig warme, gezwollen gewrichten of een plots roodhete teen verdienen daarom meer aandacht dan alleen het label ‘slijtage’. Zie de andere mogelijke verklaringen. [1], [7], [8]
1.5 Kun je artrose aan de buitenkant zien?
Soms zie je een botrand, een dikkere gewrichtsregio of een veranderde stand. De voet kan er ook normaal uitzien terwijl op een röntgenfoto artrose zichtbaar is. Een huidfoto toont geen kraakbeen.
Een bult op de wreef is niet altijd artrose. Een ganglion is bijvoorbeeld een met vocht gevulde zwelling nabij een gewricht of pees. Een botrand, ganglion en cyste die in een onderzoeksverslag staat, betekenen niet hetzelfde. Laat een nieuwe of groeiende bult beoordelen; prik of druk hem niet zelf kapot. [9]
1.6 Komt enkelartrose ook op jonge leeftijd voor?
Ja. Ook iemand van 27 kan artrose hebben, bijvoorbeeld na belangrijk gewrichtsletsel. Andersom stelt de leeftijd van 50 of 70 jaar geen diagnose.
Hoe vaak artrose voorkomt, verschilt per gewricht en onderzochte groep. Cijfers na een geopereerde enkelfractuur gelden bijvoorbeeld niet voor alle mensen met voetklachten. Voor jouw beoordeling zijn vooral het betrokken gewricht, eerder letsel en de huidige klachten van belang. [10], [6]
2. Welke klachten passen en wanneer moet je hulp zoeken?
Artrose kan pijn, stijfheid en minder bewegingsruimte geven. Sommige mensen merken vooral de eerste stappen na rust; anderen hebben moeite met afzetten of lang staan. Kijk steeds naar de combinatie van plek, beweging en beloop.
2.1 Hoe verschillen de klachten per gewricht?
Startstijfheid, pijn bij belasten en een beperkte beweging kunnen passen. Soms is er zwelling. Deze kenmerken zijn niet uniek voor artrose: een pees, zenuw of ontsteking kan in dezelfde regio klachten geven. Het ontbreken van zichtbare zwelling of stijfheid sluit artrose ook niet volledig uit. [1], [5], [4]

2.1.1 Bovenste spronggewricht
Bij het bovenste spronggewricht kan de pijn rond de enkel zitten. Omhoog of omlaag bewegen kan beperkt zijn, waardoor lopen, traplopen of hurken lastiger wordt. De arts onderzoekt of de herkenbare pijn juist bij dit gewricht wordt opgeroepen.
2.1.2 Onderste spronggewricht en achtervoet
Pijn uit de achtervoet kan opvallen wanneer de voet zich aan een ongelijke ondergrond moet aanpassen. Een zijwaartse beweging van de achtervoet kan beperkt zijn. Dat vraagt ander gericht onderzoek dan alleen de voet omhoog en omlaag bewegen.
2.1.3 Middenvoet
Middenvoetklachten kunnen op de wreef of dieper in de middenvoet zitten. Afwikkelen, lang staan of druk van een schoen kan gevoelig zijn. Een botrand bovenop een gewricht kan schoendruk geven; pijn op de wreef bewijst op zichzelf geen artrose.
2.1.4 Grote-teengewricht, MTP1
Bij MTP1 kan vooral het afzetten pijn doen. De grote teen buigt minder ver omhoog en een botrand bovenop het gewricht kan tegen de schoen drukken. Pijn op die plek, dezelfde pijn bij bewegen en een duidelijke bewegingsbeperking ondersteunen samen dat juist dit gewricht pijn geeft.
2.1.5 Kleinere tenen
Bij kleinere tenen kan pijn ontstaan bij een specifiek teengewricht of door druk in de schoen. De arts kijkt ook naar teenstand, huid en nagels. Een pijnlijke nagel of rood plekje is een andere bevinding dan beperkte beweging in een gewricht.
2.2 Wat betekent pijn aan de binnenkant, buitenkant of onderkant?
‘Binnenkant’, ‘buitenkant’ en ‘onderkant’ beschrijven een pijnplek. Ze zeggen nog niet welke structuur de pijn veroorzaakt.
Aan de buitenenkel kunnen een gewricht, de pezen van de kuitbeenspieren (fibularispezen) en een lokale zenuw meespelen. Aan de binnenenkel en voetzool gaat het onder meer om pezen en zenuwen die naar de voetzool lopen, zoals de tibiale en plantaire zenuwen. De suraliszenuw loopt langs de buitenkant en kan klachten aan de buitenenkel, hiel en buitenrand van de voet geven.
Laat de herkenbare beweging, peesfunctie, gevoel en kracht naast elkaar beoordelen. Branden of tintelen verdient een eigen zenuwbeoordeling, ook als er al artrose is vastgesteld. [11]
2.3 Welke klachten vragen om een andere verklaring?
Tintelingen, een doof gevoel, een pijnlijke pees of een warme rode voet vragen om een andere of aanvullende verklaring. Zo kan het grote-teengewricht het afzetten hinderen, zonder een brandende voetzool te verklaren.
Bij acute of snel toenemende verschijnselen volg je paragraaf 2.5. In paragraaf 4.3 staan de andere mogelijke oorzaken met de klachten en onderzoeken die het onderscheid helpen maken.
2.4 Hoe zit het met nachtelijke pijn, zwelling en kou?
Nachtelijke pijn, zwelling en knarsen bewijzen geen artrose. Vraag vooral of het patroon nieuw is, duidelijk verandert of samengaat met andere verschijnselen. Gewone behoefte aan warme sokken is iets anders dan een plots koude, bleke, pijnlijke voet.
Warmte of koelen kan tijdelijk prettig zijn. Gebruik het veilig en bescherm je huid, zeker bij minder gevoel. Of warmte, kou of het weer de pijn verandert, vertelt op zichzelf niet hoeveel kraakbeen is veranderd of wat de pijn veroorzaakt.
2.5 Wanneer moet je direct of snel contact opnemen?
Neem direct contact op met huisarts of huisartsenpost bij:
- een warm, dik en pijnlijk gewricht met koorts, misselijkheid of ziek voelen;
- een plots koude, bleke of verkleurde pijnlijke voet, vooral bij doofheid of zwakte;
- een nieuwe dikke, warme, pijnlijke kuit;
- snel toenemende krachtsuitval, een nieuwe klapvoet of ernstig nieuw gevoelsverlies;
- problemen met plassen of ontlasting, of een doof gevoel rond het zitvlak en de geslachtsdelen bij rug-/beenklachten.
Laat ook een plots niet belastbare voet, een nieuwe forse zwelling of een onrustige operatiewond snel beoordelen. Heb je diabetes en ontstaat een warme, rode, dikke voet of een nieuwe wond? Neem dezelfde dag contact op. Bij levensbedreigende verschijnselen, zoals ernstige benauwdheid of flauwvallen, bel je 112.
Blijven klachten bestaan, veranderen ze of beperken ze je dagelijks leven? Maak een afspraak, ook als geen spoedsignaal aanwezig is. [7], [17], [18], [20], [24]
Lees verder over klachten die blijven terugkomen
In het gratis e-book lees je hoe een ontregeld zenuwstelsel klachten kan blijven veroorzaken of versterken, en waarom steeds dezelfde lokale behandeling dan niet altijd voldoende helpt.
3. Hoe wordt artrose onderzocht?
De arts onderzoekt eerst de pijnplek, beweging en het lopen. Een röntgenfoto kan het betrokken gewricht en de veranderingen daarin verduidelijken. Pas als er een concrete vraag overblijft, volgt gericht ander onderzoek. Hieronder staan het gewrichtsonderzoek en de aanvullende zenuw-, pees-, ontstekings- en vaatvragen apart. [2] [25]

Gericht onderzoek combineert je verhaal met beweging, functie en andere bevindingen.
3.1 Wat vertelt je klachtenverhaal?
Wijs zo precies mogelijk aan waar je de klacht voelt. Vertel wanneer die begon, of er letsel of een operatie was en wat je niet meer goed kunt. Denk aan de eerste stappen, afzetten, een schoen dragen of lopen op ongelijke grond.
Noem ook rust- en nachtklachten, zwelling, veranderingen in gevoel of kracht en pijn op andere plaatsen. Bij eerdere behandeling is belangrijk wat er veranderde: alleen de pijn, ook het lopen, de bewegingsruimte of juist niets. Zo wordt duidelijk welke vraag het volgende onderzoek moet beantwoorden.
3.2 Wat onderzoekt de arts lichamelijk?
Bij artrose gaat het eerst om het gewricht zelf: waar zit de bekende pijn, hoeveel beweging is mogelijk en welke handeling roept juist die klacht op? Onderzoek van pezen en spieren helpt nabije pijnbronnen onderscheiden. Gevoel, zenuwfunctie en doorbloeding krijgen bij een passende verdenking aanvullend aandacht in paragraaf 3.4.
[BM-BEELD NEW-EXAM — Gericht onderzoek van beweging en herkenbare pijn in voet en enkel — hier invoegen; marker verwijderen vóór livegang]
3.2.1 Kijken en het lopen beoordelen
De behandelaar bekijkt stand, zwelling, botranden, huid en nagels en observeert hoe je loopt en afwikkelt. Ook schoendruk kan zichtbaar worden. Een botrand bovenop MTP1 kan bijvoorbeeld tegen de schoen drukken.
Een aangepast looppatroon laat zien dát een functie verandert. Het kan een gevolg of compensatie zijn en bewijst niet vanzelf wat de pijnbron is.
3.2.2 Afzonderlijke gewrichten bewegen
Enkel, achtervoet, middenvoet en grote teen worden gericht bewogen. Dat gebeurt actief, door jou, en zo nodig passief, door de onderzoeker. De arts beoordeelt hoe ver je kunt bewegen, hoe de beweging aan het einde wordt afgeremd en of jouw bekende pijn wordt opgeroepen.
Bij MTP1 kan de teen bijvoorbeeld niet verder omhoog doordat de beweging hard wordt afgeremd. Treedt daarbij de herkenbare plaatselijke pijn op, dan ondersteunt dat een bijdrage van het gewricht. Bij de achtervoet beoordeelt de arts juist een andere beweging. Hard doorduwen is niet nodig om een diagnose te bewijzen.
3.2.3 Gericht voelen en spier-/peesfunctie
De arts of fysiotherapeut kan een gewrichtslijn, spier en pees afzonderlijk onderzoeken met gerichte druk en beweging. Herkenbare pijn bij een passende spier- of peesfunctie kan een aanvullende verklaring geven.
Alleen drukpijn is weinig specifiek. Het gaat om de samenhang met je gewone klachten en om vergelijking met andere oorzaken. Een volledige uitstraling volgens een plaatje hoeft niet aanwezig te zijn om een spierbijdrage te onderzoeken.
3.3 Welke beelden en gerichte gewrichtsonderzoeken helpen?
Een röntgenfoto is het gebruikelijke beeldonderzoek als de arts een gewrichtsverandering nader wil beoordelen. CT, MRI, SPECT/CT of een verdovingsproef hebben elk een gerichte vervolgvraag; je hebt deze onderzoeken niet allemaal nodig. Een uitslag moet iets toevoegen aan de verklaring of behandelkeuze. [1] [2] [25]
3.3.1 Röntgenfoto, zo nodig staand
Een röntgenfoto laat botranden, de gewrichtsspleet en stand zien. Kraakbeen wordt vooral indirect beoordeeld via de ruimte tussen botten. Een staande opname kan helpen bij de stand tijdens belasting.
Een smallere gewrichtsspleet of extra botrand ondersteunt dat het gewricht is veranderd. Een foto zonder duidelijke artrose geeft minder steun voor artrose op die plek. Vroege veranderingen en pees- of zenuwproblemen kunnen daarmee nog niet allemaal worden uitgesloten. De arts vergelijkt de foto daarom met de precieze pijnplek, beweging en het verloop. [1], [2], [25]
3.3.2 MRI
Een MRI maakt doorsnedebeelden van bot, gewricht en omliggende weefsels. Dat kan helpen als bijvoorbeeld een botletsel of een peesprobleem na eerder onderzoek nog onzeker is.
Een passende afwijking op de MRI kan de verdenking versterken. Ontbreekt de gezochte afwijking, dan wordt die verklaring minder waarschijnlijk. De arts blijft vergelijken of de bevinding bij de pijnplek en klachten past. Bij typische artroseklachten is een MRI niet vanzelf nodig. [25]
3.3.3 CT
Een CT geeft veel detail van bot en gewrichtsstand. De specialist kan deze kiezen voor een operatieplanning of om botheling na een fusie nader te beoordelen.
Een CT kan bijvoorbeeld een botdefect, een afwijkende stand of onvoldoende vastgroeien na een operatie laten zien. Een normale CT geeft minder steun voor de gezochte botafwijking, maar beantwoordt niet alle vragen over pezen, zenuwen of de verwerking van pijn. Door de gerichte toepassing en straling is CT geen automatische opvolger van iedere röntgenfoto. [25], [13]
3.3.4 SPECT/CT
SPECT/CT combineert informatie over botactiviteit met anatomische beelden. Een specialist kan dit gebruiken als nog onduidelijk is welk gewricht bij een lokaal probleem betrokken is.
Bij 107 mensen met vermoedelijke artrose van voet of enkel veranderde de beoordeling na toevoeging van SPECT/CT bij 57 mensen (53%) de diagnose en bij 28 (26%) het behandelplan. Dat laat zien dat de scan aanvullende informatie kan geven, maar in deze studie is niet aangetoond dat patiënten daardoor minder pijn kregen of beter functioneerden. Meer botactiviteit wijst dus niet met zekerheid de enige pijnbron aan. Het latere ProSPECT-protocol beschrijft gepland onderzoek, nog geen behandelresultaten. [28], [29]
3.3.5 Gerichte verdovende injectie, zo nodig beeldgeleid
Bij een gerichte verdovende injectie wordt een vermoedelijk betrokken gewricht tijdelijk verdoofd, zo nodig met beeldgeleiding. De vraag is of juist de herkenbare klacht daarna verandert.
Duidelijke tijdelijke vermindering van de bekende pijn ondersteunt dat het verdoofde gewricht bijdraagt. Geen vermindering sluit dat niet altijd uit: de verdoving kan zich verspreiden en er kunnen meerdere pijnbronnen zijn. In een studie bij 74 mensen voorspelde de injectiereactie het resultaat van vastzetten niet betrouwbaar. De behandeling werd niet door loting gekozen en de arts kende de injectiereactie bij die keuze. [30]
3.4 Welke onderzoeken zijn bedoeld voor andere mogelijke oorzaken?
Tintelingen, een pijnlijke pees, ontstekingsverschijnselen of een veranderde doorbloeding vragen een andere beoordeling dan artrose. De arts kiest onderzoek op basis van zo’n concrete verdenking. Ook specialistische zenuwtests hieronder zijn geen standaardpakket voor een stijve teen of pijnlijke enkel.
3.4.1 Onderzoek van gevoel en spierkracht
Bij branden, tintelen, doofheid of krachtverlies onderzoekt de arts waar het gevoel verandert en welke voet- en teenspieren minder kracht leveren. Ook reflexen, lopen op de hielen en op de tenen komen kunnen bij een gerichte zenuwvraag worden onderzocht. [11] [14] [15]
Minder kracht doordat een beweging pijn doet is iets anders dan uitval van een spier door een zenuwprobleem. De arts vergelijkt de verdeling van gevoel en kracht met het gebied van de betrokken zenuw. Een normale bevinding bij één taak beantwoordt niet alle zenuwvragen.
3.4.2 Doorbloeding en huidveiligheid
De onderzoeker beoordeelt kleur, temperatuur en wonden en voelt zo nodig of de slagaders in de voet kloppen. Het tijdsverloop telt mee: plots koud en pijnlijk is een andere vraag dan al jaren koude voeten hebben.
Een zelf gevoelde polsslag in de voet sluit een vaatprobleem niet betrouwbaar uit. Ook een klein wondje verdient extra aandacht bij diabetes of verminderd beschermend gevoel. [17], [18], [20]
3.4.3 Echo
Met geluidsgolven kunnen geselecteerde oppervlakkige structuren worden bekeken, soms tijdens beweging. Een echo kan bijvoorbeeld passen bij een vraag over een pees, vocht, een zwelling of een lokale zenuw.
Een afwijking aan de onderzochte pees, zwelling of zenuw kan de verklaring ondersteunen als die bij de klacht past. Een normale echo geeft minder steun voor een afwijking in het bekeken gebied, maar sluit niet alle oorzaken van voetpijn uit. [25], [11]
3.4.4 Gericht bloedonderzoek
Er is geen bloedtest die gewone artrose bevestigt. Bloedonderzoek kan wel passen bij een andere vraag: bijvoorbeeld urinezuur bij verdenking op jicht, of glucose en vitamine B12 bij klachten die op een zenuwprobleem wijzen.
Een afwijkende waarde krijgt betekenis in samenhang met je klachten en onderzoek. Urinezuur alleen stelt geen jichtdiagnose; tijdens een aanval kan het gehalte lager zijn. Normale bloedwaarden sluiten niet elke ontsteking of zenuwaandoening uit. [12], [14]
3.4.5 Gewrichtspunctie bij een ontstoken gewricht
Bij een acuut ontstoken gewricht kan de arts vocht afnemen voor gericht onderzoek. Kristallen in dit vocht kunnen passen bij een gewrichtsontsteking door kristallen, zoals jicht. Bij verdenking op een infectie is ook onderzoek daarnaar nodig.
Geen gevonden kristallen is niet hetzelfde als alle oorzaken uitgesloten. Omgekeerd sluiten kristallen een gelijktijdige infectie niet uit. Een punctie hoort bij een gerichte ontstekingsvraag, niet bij iedere chronisch stijve teen. [12]
3.4.6 Zenuwgeleidingsonderzoek
Bij zenuwgeleidingsonderzoek, ook ENG of NCS genoemd, worden elektroden op de huid geplaatst. Met kleine elektrische prikkels wordt onderzocht hoe zenuwsignalen worden doorgegeven. Dit kan helpen bij een vermoeden van een lokale beknelling of een probleem van meerdere zenuwen.
Een afwijkende meting kan aanwijzen dat een zenuw signalen minder goed doorgeeft en helpen bepalen waar het probleem zit. Een normale uitslag sluit niet elk zenuwprobleem uit: dunne zenuwvezels worden hiermee niet op dezelfde manier onderzocht en sommige gevoels- of zenuwwortelproblemen blijven buiten beeld. Het onderzoek meet geen artrose en geen TMS. [26], [14], [16]

3.4.7 Naald-EMG
Bij naald-EMG meet een dunne naaldelektrode elektrische activiteit in geselecteerde spieren. Dit is iets anders dan het meten van zenuwgeleiding met huidelektroden, al kunnen de onderzoeken in één afspraak worden gecombineerd.
De specialist beoordeelt of de gemeten activiteit past bij een probleem van een spier of de zenuw die die spier aanstuurt. De uitkomst wordt vergeleken met je klachten, kracht en gevoel. Een normale uitslag sluit niet iedere zenuwwortel- of gevoelsstoornis uit; welke spieren en functies zijn onderzocht, maakt verschil. [14], [16]
3.4.8 Huidbiopt of autonome testen
Bij een gerichte verdenking op een probleem van dunne zenuwvezels kan een specialist een huidbiopt of onderzoek van autonome functies overwegen. Bij een huidbiopt worden zenuwvezels in een klein stukje huid onderzocht. Autonome testen bekijken lichaamsfuncties die je niet bewust aanstuurt.
Een passende afwijking kan de verdenking ondersteunen. Een normale uitslag sluit niet ieder zenuw- of pijnprobleem uit. Deze onderzoeken zijn geen routine bij artrose en geven ook geen algemene verklaring voor alle tintelingen of brandende pijn. [26]
3.4.9 Enkel-armindex en gericht vaatonderzoek
De enkel-armindex vergelijkt de bloeddruk bij de enkel met die aan de arm. Deze test helpt bij de vraag of slagaderlijke doorbloeding verminderd is. Het is geen artrosetest.
Een afwijkende verhouding kan aanleiding geven tot verder vaatonderzoek. Een uitslag wordt met klachten en lichamelijk onderzoek beoordeeld; bij bepaalde omstandigheden kan aanvullend onderzoek nodig zijn. Een plots koude, pijnlijke voet vraagt onmiddellijke beoordeling en mag niet wachten op een gewone meetafspraak. [27], [17]
3.5 Wat zeggen een artrosegraad, classificatie of zelftest?
Een artrosegraad beschrijft hoeveel verandering op een foto te zien is. Classificatiecriteria zijn afspraken om deelnemers aan onderzoek in groepen in te delen. Bij jou zijn daarnaast het klachtenverhaal en lichamelijk onderzoek nodig om te bepalen wat de pijn verklaart. Een hoge graad betekent geen verplichte operatie.
Bij 181 mensen die al pijn in het grote-teengewricht hadden, is onderzocht hoe lichamelijke kenmerken artrose op de röntgenfoto helpen herkennen. Klachtduur, een botrand, harde eindstand, knarsen en beperkte teenbuiging telden mee. Bij minstens drie kenmerken werd 88% van de mensen mét radiologische artrose herkend; bij mensen zónder die artrose wees de combinatie dit in 71% van de gevallen terecht niet aan. Deze regel onderzocht het herkennen van de fotoafwijking in die groep, niet of artrose alle pijn veroorzaakte. [31]
Ook onze gratis Artrose test stelt de gewrichtsdiagnose niet. Die is bedoeld om aanwijzingen voor een mogelijke rol van het zenuwstelsel te verkennen.
4. Wanneer verklaart artrose je voet-, enkel- of teenklachten?
Artrose verklaart een klacht overtuigender wanneer de pijnplek, herkenbare beweging, het lichamelijk onderzoek en de gewrichtsbevinding naar dezelfde plek wijzen. Een stijve grote teen met pijn bij afzetten vraagt bijvoorbeeld een andere afweging dan branden onder de voet. Hieronder lees je wat sterke en zwakke aanwijzingen concreet betekenen.

Een verklaring wordt sterker wanneer klachten en onderzoeksbevindingen bij elkaar passen.
4.1 Hoe sterk zijn de aanwijzingen?
De vijf situaties zijn een praktische uitleg, geen medische puntentest of indeling in de ernst van artrose. Hoe overtuigend artrose de klacht verklaart, welk deel van de klachten zij verklaart en hoe snel zorg nodig is, zijn verschillende vragen. Ontbreekt belangrijk onderzoek, dan is de beoordeling nog onvolledig; dat is niet hetzelfde als weinig aanwijzingen.
Zeer sterke aanwijzingen
Wat zie je?
- De bekende pijn zit precies bij het gewricht met artrose. Bijvoorbeeld aan de basis van de grote teen, bij het MTP1-gewricht.
- Afzetten tijdens lopen of de grote teen omhoog buigen roept herhaald dezelfde plaatselijke pijn op. De teen beweegt minder ver; soms drukt een botrand tegen de schoen.
- De arts beweegt dat gewricht gericht, zowel door jou te laten bewegen als door de teen te begeleiden. De herkenbare pijn en een duidelijke, eventueel harde bewegingsbeperking passen bij hetzelfde gewricht.
- Een gemaakte röntgenfoto toont bijvoorbeeld een smallere gewrichtsspleet of extra botvorming bij MTP1. De bevinding ligt dus op de plek waar de klacht en het onderzoek naartoe wijzen.
- Het verloop past hierbij. Onderzoek naar schoendruk, huid, pezen en zenuwen levert geen betere verklaring op voor juist deze pijn bij afzetten.
Wat betekent dit?
Artrose is dan een overtuigende hoofdverklaring voor deze plaatselijke pijn en bewegingsbeperking. Een stijve grote teen kan beperkt blijven bewegen, ook als de pijn afneemt. Die twee behandeldoelen worden daarom afzonderlijk besproken. [1] [5] [31]
Wat doe je nu?
Bespreek schoenen, een passend hulpmiddel, bewegen en zo nodig verdere behandeling voor het grote-teengewricht. Sterke aanwijzingen betekenen niet automatisch dat een operatie nodig is. De keuzes staan in hoofdstuk 8; paragraaf 2.5 beschrijft wanneer je sneller medische hulp zoekt.
Sterke aanwijzingen
Wat zie je?
- De pijn zit meestal bij hetzelfde gewricht. Bijvoorbeeld dieper in de achtervoet, onder het sprongbeen, en valt vooral op bij lopen op scheve of ongelijke grond.
- Bij gericht onderzoek is het aanpassen van de achtervoet naar opzij beperkt of pijnlijk. De behandelaar vergelijkt dit met het omhoog en omlaag bewegen van de enkel en met nabijgelegen pezen.
- Een gemaakte foto laat een passende verandering zien bij het gewricht onder het sprongbeen. Het bovenste spronggewricht en het subtalaire gewricht worden niet als één gewricht behandeld.
- De belangrijkste bevindingen passen bij elkaar, maar nog niet iedere pijnlijke handeling is even duidelijk verklaard. De arts kan bijvoorbeeld moeten onderscheiden of een nabije pees een deel van de hinder geeft.
Wat betekent dit?
Artrose is een waarschijnlijke verklaring voor de plaatselijke klachten. De positieve bevindingen zijn belangrijker dan alleen het woord artrose in een verslag. Hetzelfde soort afweging kan ook bij middenvoet- of enkelartrose gelden; het voorbeeld is geen rangorde tussen gewrichten. [1] [4]
Wat doe je nu?
Kies gerichte zorg en spreek af wat moet verbeteren, zoals lopen op ongelijke grond of een dagelijkse wandeling. Als nog niet duidelijk is welk gewricht of welke pees de pijn geeft, wordt juist dat onderscheid onderzocht. Zie paragraaf 3.2, paragraaf 3.3 en de behandelkeuzes.
Een deel van de klachten past
Wat zie je?
- Een plaatselijke klacht is goed verklaard. Bijvoorbeeld pijn bij het afzetten met een stijve grote teen, een passende bewegingsbeperking en artrose van MTP1 op de foto.
- Daarnaast zijn er klachten die dit gewricht niet voldoende verklaart: branden onder de voet, minder gevoel in meerdere tenen of pijn op een andere plek.
- De arts onderzoekt die andere klachten apart. Bij branden of doofheid wordt nagegaan waar het gevoel veranderd is, welke spieren minder kracht geven en of de verdeling past bij een plaatselijke zenuw, een zenuw hoger in het been of meerdere zenuwen.
- Er kunnen ook duidelijke verschillen zijn bij ongeveer dezelfde activiteit. Een korte wandeling lukt bijvoorbeeld tijdens ontspanning beter, terwijl dezelfde afstand bij spanning veel meer pijn oproept. Als dit herhaald optreedt, is dat aanvullende informatie over het klachtenpatroon.
Wat betekent dit?
Artrose kan het plaatselijke deel sterk verklaren zonder de oorzaak van alle klachten te zijn. Een pees, spier of zenuw kan daarnaast bijdragen. Meerdere samenhangende veranderingen door stress, ontspanning of afleiding kunnen ook een rol van het zenuwstelsel ondersteunen. Een foto plus stress alleen is geen onderbouwd gemengd beeld. [11] [14] [21] [34]
Wat doe je nu?
Laat de verschillende klachten gericht beoordelen en kies per probleem passende zorg. Paragraaf 4.3 bespreekt andere verklaringen. De gratis Artrose test helpt positieve zenuwstelselkenmerken herkennen; hoofdstuk 12 legt deze verder uit.
Weinig aanwijzingen
Wat zie je?
- De artrose is gevonden op een andere plek dan je voornaamste klacht. Bijvoorbeeld artrose bij de grote teen terwijl je vooral pijn rond de buitenenkel hebt.
- Gericht bewegen en voelen van het grote-teengewricht roept de bekende buitenenkelpijn niet op. De hinder bij lopen past ook niet duidelijk bij de beperking in de teen.
- De foto bevestigt dat er artrose is, maar geeft weinig steun voor de verklaring van deze pijn op een andere plek.
- Onderzoek van de werkelijke pijnplek kan meer richting geven: bijvoorbeeld de pezen aan de buitenenkel, een lokaal gewricht, een spier of de zenuw langs de buitenrand van de voet.
- Sterke wisselingen bij vergelijkbare belasting, klachten die al vóór een activiteit beginnen of duidelijke afname door ontspanning en afleiding kunnen daarnaast aanleiding zijn om het zenuwstelsel te beoordelen.
Wat betekent dit?
De gevonden artrose is een zwakke verklaring voor de klacht die nu centraal staat. Dat oordeel berust op het verschil in pijnplek en onderzoeksbevindingen, niet uitsluitend op één normale test. [1] [11] [34]
Wat doe je nu?
Laat de buitenenkel of andere werkelijke pijnplek gericht onderzoeken. De andere verklaringen en spierpatronen helpen dat gesprek. Zijn er meerdere positieve zenuwstelselkenmerken en past geen andere medische verklaring beter, gebruik dan de Artrose test als eerste oriëntatie en lees hoofdstuk 12.
Nauwelijks aanwijzingen
Wat zie je?
- Bij het gewricht met artrose ontbreken vrijwel alle klachten die de huidige hinder zouden verklaren. Bijvoorbeeld een oude grote-teenbevinding terwijl de hoofdklacht een doof, brandend gevoel in beide voeten is.
- Gericht onderzoek van de teen roept die klacht niet op. Er is geen bijpassende plaatselijke bewegingsbeperking die het gehele huidige patroon verklaart.
- Andere bevindingen wijzen duidelijker in een andere richting. Een sokvormige gevoelsverandering aan beide voeten geeft bijvoorbeeld aanleiding om een probleem van meerdere zenuwen te onderzoeken.
- Of er is een herhaalbaar klachtenpatroon met sterke wisselingen en verplaatsing, grote verschillen bij dezelfde activiteit en duidelijke verandering door stress, ontspanning of afleiding. Dat patroon krijgt een eigen beoordeling.
Wat betekent dit?
De artrose is dan onwaarschijnlijk als hoofdverklaring voor de genoemde klachten. Zij kan op de achtergrond aanwezig zijn, terwijl een beter onderbouwde verklaring de aanpak hoort te sturen. Komen na passende medische beoordeling meerdere positieve zenuwstelselkenmerken samen, dan kan een ontregeld zenuwstelsel de belangrijkste verklaring zijn. [14] [34]
Wat doe je nu?
Richt het vervolg op wat de klachten wél verklaart. Paragraaf 3.4 beschrijft aanvullende onderzoeken. De Artrose test helpt zenuwstelselkenmerken herkennen; hoofdstuk 13 helpt een vervolgstap kiezen. Nieuwe of toenemende uitval blijft reden voor medische beoordeling.
4.2 Wat betekenen ernstige of bijkomende afwijkingen in je verslag?
Een verslag kan meerdere bevindingen noemen. Lees ze per gewricht: waar zit de verandering, wat laat het onderzoek zien en welke dagelijkse klacht hoort daarbij? “Ernstig” op de foto betekent niet automatisch even ernstige pijn of een verplichte operatie. Het scanhoofdstuk laat zien waarom. [1] [2]
Een smallere gewrichtsspleet en extra botranden
De gewrichtsspleet is de ruimte tussen de botuiteinden op de foto. Een smallere spleet en botranden ondersteunen de aanwezigheid van artrose. Bij de grote teen kan een botrand bovenop het gewricht bijvoorbeeld tegen de schoen drukken, terwijl beperkte teenbuiging het afzetten belemmert. De arts onderzoekt of dit ook jouw herkenbare klachten zijn. [1] [5]
TMT1, MTP1, hallux rigidus en hallux valgus
TMT1 ligt in de middenvoet; MTP1 ligt aan de basis van de grote teen. Pijn op de wreef bij afwikkelen vraagt daarom ander gericht onderzoek dan pijn bij het omhoog buigen van de grote teen. Hallux rigidus beschrijft een stijve grote teen. Hallux valgus is een scheefstand en kan daarnaast schoendruk geven. De namen zijn geen onderling uitwisselbare verklaring. [4] [5]
Stand, eerder letsel en niet-vastgroeien
Een oude enkel-, hielbeen- of Lisfrancbreuk kan van belang zijn voor het betrokken gewricht, de stand en de beweging. Vraag welke bevinding de huidige hinder verklaart. Pseudoartrose betekent dat botdelen na een breuk of fusie niet voldoende zijn vastgegroeid; dat is iets anders dan gewrichtsartrose. De verdere beoordeling na een ingreep staat in hoofdstuk 9. [6] [13] [66]
Een botrand of een bult op de wreef
Een zichtbare of voelbare bult kan een botrand zijn, maar ook een met vocht gevulde zwelling, zoals een ganglion. Die bevindingen vragen een eigen beoordeling van ligging, groei, schoendruk en hinder. Een huidfoto laat niet zien hoeveel kraakbeen is veranderd. Laat een nieuwe of groeiende bult beoordelen. [9]
4.3 Welke andere verklaringen kunnen tegelijk spelen?
Artrose kan één klacht overtuigend verklaren en een andere klacht niet. Een stijve grote teen kan het afzetten hinderen, maar verklaart niet vanzelf een dove voetzool, een dikke kuit of pijn op de wreef. Ook knie-, heup- of rugartrose is niet zonder onderzoek de oorzaak van iedere voetklacht.
Hieronder staan de belangrijkste andere routes. De spoedsignalen blijven leidend bij nieuwe of snel toenemende klachten; voor overige klachten helpt juist het gerichte onderzoek van de betreffende plek.
4.3.1 Jicht of andere gewrichtsontsteking
Een plots zeer pijnlijke, warme, rode grote teen kan bij jicht passen. Een ontsteking door een bacterie moet soms ook worden overwogen. Bij koorts of ziek voelen neem je direct contact op met huisarts of huisartsenpost.
Een eerdere diagnose artrose of jicht maakt een nieuwe aanval niet vanzelf onschuldig. Soms is onderzoek van gewrichtsvocht nodig om de oorzaak te bepalen. [7], [8], [12]
4.3.2 Ontstekingsreuma
Meerdere warme, gezwollen gewrichten en aanhoudende stijfheid kunnen aanleiding geven om ontstekingsreuma te onderzoeken. De huisarts kijkt naar het hele klachtenpatroon en kan naar een reumatoloog verwijzen.
Een artrosebevinding op één foto sluit een andere gewrichtsaandoening niet uit. Andersom is pijn in meerdere gewrichten alleen nog geen bewijs van reuma. [7]
4.3.3 Recent letsel, botletsel door herhaalde belasting of een probleem na een operatie
Na een val, verdraaiing of sterke verandering in belasting kan letsel een eigen rol spelen. De arts kan ook onderzoeken of het bot door herhaalde belasting is beschadigd: dit wordt stressletsel genoemd. Na een operatie worden de wond, het vastgroeien van bot, de stand en eventuele materialen beoordeeld.
Kun je de voet plots niet belasten, neemt de zwelling sterk toe of wordt een operatiewond roder of onrustiger? Laat dit snel beoordelen. Wacht niet af op basis van een oude artrosediagnose. [1], [13]
4.3.4 Pees, voetzool, stand, huid of nagel
Een pijnlijke pees, voetzoolstructuur, drukplek of ingegroeide nagel kan klachten geven die niet uit het gewricht komen. Schoendruk bij een scheve teen is bijvoorbeeld een andere vraag dan pijn door MTP1-artrose.
Het onderzoek richt zich op de plek én de functie: wat gebeurt er bij gewrichtsbeweging, peesbelasting en aanraking van huid of nagel? Laat een wond die niet geneest medisch beoordelen.
Lees ook de uitleg over peesontsteking, hielspoor en een slijmbeursontsteking bij de hiel. Deze namen duiden andere structuren aan dan gewrichtsartrose.
4.3.5 Lokale zenuwbeknelling of neuroom
Branden, tintelen, doofheid of elektrische pijn kunnen passen bij een beknelde zenuw of ander plaatselijk zenuwprobleem. Denk aan een beknelling rond de enkel of een zenuwprobleem tussen de middenvoetsbeentjes, zoals een Mortons neuroom.
De verdeling van de klachten, gevoel en kracht helpen het onderzoek richten. Een botrand kan soms ruimte innemen, maar artrose op een foto bewijst niet dat een zenuw daardoor bekneld zit. [11]
4.3.6 Een zenuwprobleem hoger in het been of bij meerdere zenuwen
Een zenuwprobleem kan ook hoger in het been of vanuit de rug ontstaan. Klachten aan beide voeten met minder gevoel in een gebied dat op een sok lijkt, kunnen passen bij een polyneuropathie: een probleem van meerdere zenuwen.
De arts vergelijkt het klachtengebied met gevoel, kracht en reflexen. Kun je de voet nieuw of steeds minder goed optillen, dan vraagt dat snelle beoordeling. Rugartrose op een foto verklaart niet automatisch een dove voet. [14], [15], [16]
Lees bij uitstralende beenklachten ook over ischias en een hernia.
4.3.7 Doorbloeding of trombose
Een plots koude, bleke of blauw verkleurde pijnlijke voet kan op een probleem met de slagaderlijke doorbloeding wijzen. Een nieuwe dikke, warme, pijnlijke kuit kan juist bij trombose passen. Dit zijn verschillende problemen en beide vragen direct contact met huisarts of huisartsenpost.
Bij ernstige benauwdheid, pijn op de borst of flauwvallen bel je 112. Schrijf zulke verschijnselen niet toe aan een artrose-opvlamming. [17], [18]
4.3.8 CRPS na letsel of een ingreep
Aanhoudende pijn met overgevoeligheid, verschil in kleur of temperatuur, zwelling en veranderingen in bewegen kan na letsel of een ingreep aanleiding zijn om CRPS te onderzoeken. Een deskundige beoordeelt de combinatie van verschijnselen en sluit betere verklaringen uit. [19]
De beoordeling en de klinische expertvisie op CRPS worden uitgelegd in paragraaf 9.3. Bij een nieuw warm, dik of verkleurd been blijft eerst de medische veiligheidsroute van belang.
4.3.9 Actieve diabetische voet/Charcot
Heb je diabetes en wordt een voet nieuw warm, rood en dik, vooral bij verminderd gevoel? Neem dezelfde dag contact op voor beoordeling. Een actief Charcot-probleem, infectie of wond kan ook bij weinig pijn aanwezig zijn.
Bij een mogelijke actieve Charcot-voet: belast die voet niet totdat passende medische zorg en bescherming zijn geregeld. Bespreek direct hoe je je veilig kunt verplaatsen. Dit is geen situatie om zelfstandig een wandel- of oefenprogramma op te bouwen. [20]
4.3.10 Spieren en een ontregeld zenuwstelsel
Spieren kunnen pijn geven op de plek zelf of verderop in de voet. Als gericht druk geven of aanspannen jouw bekende klacht oproept en een gerichte behandeling herhaalbaar helpt, ondersteunt dat binnen de klinische triggerpointbenadering een spierbijdrage. Hoofdstuk 10 laat de afzonderlijke spierpatronen zien. [21]
Wisselt dezelfde klacht herhaald sterk bij vergelijkbare belasting of verandert zij duidelijk door verwachting, spanning, ontspanning of afleiding? Dan verdient ook het zenuwstelsel aandacht. Meerdere passende kenmerken kunnen deze verklaring ondersteunen, naast het onderzoek naar gewrichten, pezen en zenuwen. De Artrose test helpt die kenmerken herkennen; hoofdstuk 12 geeft de volledige uitleg. [22] [34]
Begrijp waarom klachten kunnen blijven bestaan
Wil je begrijpen hoe een ontregeld zenuwstelsel klachten kan veroorzaken of versterken? De gratis online training legt uit hoe dat kan werken en welke kenmerken je bij jezelf kunt herkennen.
5. Waarom artrose op een foto niet automatisch voet-, enkel- of teenpijn verklaart
Een foto kan laten zien dat een voet- of enkelgewricht is veranderd. De vraag of juist die verandering de pijn veroorzaakt, vraagt daarnaast een vergelijking met de klachten en het lichamelijk onderzoek.
5.1 Wat laat onderzoek naar voet en enkel zien?
Bij 231 mensen met chronische enkelklachten vonden onderzoekers geen verband tussen de artrose op de röntgenfoto en de ernst van pijn en beperkingen op de gebruikte vragenlijst. Dat betekent dat een sterkere fotoafwijking in deze groep niet vanzelf samengaat met meer pijn. Artrose van het bovenste spronggewricht hing wél samen met het noemen van functieverlies als belangrijkste klacht. De gemeten pijnscore en het soort klacht zijn dus verschillende uitkomsten. [32]
In een ander onderzoek bij 197 mensen van 62 tot 94 jaar was er een matige samenhang tussen artrose op voetfoto’s en pijn. De foto en klachten stonden dus niet volledig los van elkaar, maar een zichtbare afwijking verklaarde ook hier niet op zichzelf het hele klachtenbeeld. [33]
Ook het verloop kan uiteenlopen. In een onderzoek bij 22 mensen met hallux rigidus werden 24 voeten gemiddeld 14,4 jaar gevolgd. De gewrichtsspleet werd in 16 voeten smaller. Toch bleef de pijn in 22 voeten gelijk; in één voet nam de pijn af en in één toe. Meer zichtbare gewrichtsverandering betekende in deze groep dus niet automatisch meer pijn. [37]
De regionale onderzoeken laten zien waarom een artrosebevinding en een pijnverklaring niet hetzelfde zijn. Breder onderzoek laat bovendien zien dat duidelijke afwijkingen ook kunnen voorkomen bij mensen zonder bijpassende pijn.

Scans van mensen zonder pijn: zichtbare veranderingen komen ook voor zonder bijbehorende pijn.
5.2 Zelfs ernstige artrose kan bestaan zonder pijn
In een overzicht van 63 onderzoeken werden MRI-bevindingen bekeken van 5.397 knieën bij 4.751 volwassenen zonder knieklachten of eerder knieletsel. Bij gemiddeld 24% waren veranderingen aan het kraakbeen zichtbaar. In onderzoeksgroepen met een gemiddelde leeftijd van 40 jaar of ouder was dat 43%. Mensen kunnen dus duidelijke veranderingen aan het kniegewricht hebben zonder kniepijn.
Zelfs de ernstigste graad van knieartrose op een röntgenfoto hoeft niet met pijn gepaard te gaan. Son en collega’s onderzochten mensen met graad 4, de hoogste röntgengraad van knieartrose. In drie onderzoeksgroepen gaf 5,9% tot 31,2% aan géén langdurige kniepijn te hebben volgens de gebruikte vragen. Zelfs vergevorderde gewrichtsveranderingen betekenden dus niet dat iedereen het onderzochte pijnpatroon had.
Ook bij de heup is dat verschil groot. In twee onderzoeken naar heupartrose had slechts 20,7% respectievelijk 23,8% van de heupen met artrose op de röntgenfoto regelmatig pijn. Bij de meeste heupen met zichtbare artrose ontbrak dus die frequente pijn.
5.3 Ook hernia’s en wervelkanaalvernauwing komen voor zonder rugpijn
Bij de wervelkolom zijn de namen soms verwarrend. Een brede uitbolling van een tussenwervelschijf (bulging disc) is op zichzelf geen hernia. Een protrusie is een plaatselijke hernia: schijfmateriaal komt op één plek buiten de normale rand. Een extrusie is ook een hernia, waarbij schijfmateriaal verder naar buiten is gekomen. Stenose betekent dat de ruimte in of rond het wervelkanaal, waar zenuwen lopen, is vernauwd.
Een overzicht van 33 onderzoeken met 3.110 mensen zonder rugpijn laat zien hoe vaak zulke bevindingen voorkomen. Bij zestigjarigen werd slijtage van een tussenwervelschijf geschat op 88%, een brede uitbolling op 69% en een plaatselijke hernia (protrusie) op 38%. Bij tachtigjarigen waren de schattingen voor slijtage en protrusie respectievelijk 96% en 43%. Deze mensen hadden geen rugpijn, ondanks de zichtbare afwijkingen.

Ook duidelijke veranderingen aan de wervelkolom komen voor zonder rugpijn (Brinjikji en collega’s, 2015).
In een MRI-onderzoek onder 98 mensen zonder rugpijn had 52% een brede uitbolling van minstens één tussenwervelschijf, 27% een protrusie en 1% een extrusie. Ook een beeld dat als hernia wordt aangeduid, kan dus voorkomen zonder rugpijn.
Een ander onderzoek onder 67 mensen die nooit rugpijn, ischias of loopklachten door zenuwbeknelling hadden gehad vond bij de deelnemers van 60 jaar en ouder zelfs bij 36% een hernia en bij 21% een wervelkanaalvernauwing op de MRI. Een medische naam op een scan zegt dus niet vanzelf dat die afwijking klachten veroorzaakt.
Het gaat bovendien niet alleen om wat op één moment zichtbaar is. In een vervolgonderzoek van zeven jaar voorspelden de oorspronkelijke MRI-afwijkingen niet betrouwbaar wie later rugpijn kreeg of hoe lang die pijn duurde. De mensen met de langdurigste rugpijn hadden aanvankelijk ook niet de ernstigste MRI-afwijkingen.
5.4 Wat betekenen deze onderzoeken voor de verklaring van pijn?
De conclusie is duidelijk: een afwijking op een röntgenfoto, MRI of CT-scan is niet automatisch de oorzaak van pijn. Zelfs forse slijtage, een hernia of een vernauwing kan zichtbaar zijn zonder dat iemand de bijbehorende pijn ervaart. Meer zichtbare veranderingen betekenen dus niet automatisch meer pijn.
Een afwijking kan wél degelijk klachten veroorzaken. Daarom kijkt een arts of de precieze pijnplek, de herkenbare symptomen, het lichamelijk onderzoek en het verloop aansluiten bij wat op de scan te zien is. De scan is één onderdeel van de verklaring, niet de verklaring op zichzelf.
Voor jouw voet, enkel of teen betekent dit dat de arts nagaat welk gewricht klachten geeft, welke beweging de bekende pijn oproept en wat gericht onderzoek toevoegt. De vijf aanwijzingensituaties helpen deze bevindingen samen te begrijpen.
6. Kan artrose overgaan en hoe verloopt het?
Artrose betekent niet automatisch dat je steeds meer pijn zult hebben. Gewrichtsveranderingen kunnen blijven bestaan terwijl lopen, bewegen en comfort verbeteren. Hoe het verloopt, verschilt per gewricht en persoon.
6.1 Kunnen pijn en functioneren verbeteren terwijl artrose blijft?
Pijn en dagelijks functioneren kunnen verbeteren terwijl gewrichtsveranderingen zichtbaar blijven. Let daarom ook op hoe je afzet, loopt, staat en je schoenen verdraagt, niet alleen op een foto. Het langetermijnonderzoek bij hallux rigidus is besproken in paragraaf 5.1. [37]
Onderzoek naar aanhoudende enkelklachten laat zien dat artrose op een foto kan samenhangen met klachten die blijven bestaan. De foto hielp echter weinig extra om het verloop te voorspellen bovenop het klachtenverhaal en lichamelijk onderzoek. Een ander onderzoek volgde grote-teengewrichten negentien jaar en liet veranderingen op foto’s zien. Dat onderzoek beschrijft gewrichtsveranderingen, geen vaste hersteltijd voor pijn. [35], [36]
Er is geen vaste kalender waarin lichte artrose ernstig wordt of iedereen binnen een bepaald aantal weken pijnvrij is. Spreek af welke dagelijkse activiteit je wilt verbeteren en volg de verandering over meerdere weken, tenzij nieuwe klachten eerdere beoordeling nodig maken.
6.2 Wat betekent een opvlamming of plotselinge verandering?
Klachten kunnen tijdelijk opspelen. Bij een bekend, rustig patroon kan het helpen om de belasting even aan te passen en daarna weer op te bouwen.
Een plots ander patroon is een nieuwe vraag. Forse zwelling, een warme rode voet, koorts, nieuwe gevoelsverandering of krachtsuitval hoort niet zonder beoordeling onder ‘opvlamming’. Vergelijk veranderingen met de signalen waarvoor je contact opneemt.
7. Wat kun je zelf doen?
Kies aanpassingen die jouw concrete probleem kleiner maken: prettiger afzetten, langer kunnen staan of weer naar buiten gaan. Je hoeft niet alles tegelijk te veranderen. Zo kun je ook beter beoordelen wat helpt.
7.1 Hoe bouw je wandelen en andere activiteiten op?
Begin bij wat nu haalbaar is en bouw geleidelijk op. Kijk naar de reactie tijdens én na de activiteit. Een tijdelijke pijnreactie is niet automatisch schade, maar aanhoudend meer zwelling of duidelijk slechter functioneren vraagt bijstelling. [2], [38], [39]
7.1.1 Wandelen en lang staan
Er bestaat geen algemeen veilig maximumaantal kilometers of stappen bij voetartrose. Start met een afstand die je aankunt, verdeel een wandeling zo nodig en verander niet tegelijk duur, tempo en ondergrond. Beoordeel het patroon over meerdere wandelingen.
Bij lang staan kan afwisseling met zitten of andere taken helpen. Neem korte herstelmomenten als dat nodig is. Blijf je na activiteiten duidelijk slechter functioneren of neemt de zwelling aanhoudend toe, verlaag dan de belasting en bespreek dit met je behandelaar.
7.1.2 Fietsen en zwemmen
Fietsen, zwemmen of een stoelfiets kunnen mogelijkheden zijn als afzetten tijdens lopen lastig is. Ook daarbij tellen houding, weerstand en duur mee. Begin rustig en beoordeel hoe je enkel en teen reageren.
Geen activiteit is voor iedereen de beste. Kies iets dat bij je mogelijkheden en doelen past. Na een operatie gelden eerst de instructies voor wond en botheling.
7.1.3 Hardlopen, dansen en andere sport
Hardlopen, dansen en sporten zoals snowboarden vragen een individuele afweging. Het betrokken gewricht, je ervaring, stabiliteit en de reactie op belasting zijn belangrijker dan een algemeen verbod op sport.
Pas zo nodig duur, tempo of bewegingen aan. Toenemende zwelling, verlies van functie en acute klachten zijn geen signalen om onbeperkt doorheen te trainen. Een fysiotherapeut kan helpen om sport weer stapsgewijs op te bouwen.
7.2 Welke schoenen, sandalen en slippers passen?
Let bij schoenen op voldoende ruimte voor tenen en botranden, een sluiting die goed houdt en een stabiele afwikkeling. Bij een pijnlijk MTP1 kan een stijvere zool of afwikkelzool de benodigde teenbuiging beperken. Een andere regio kan een andere ondersteuning nodig hebben.
Voor wandelschoenen, werkschoenen, sandalen, slippers en pantoffels gelden dezelfde vragen: kun je er veilig mee lopen, knellen ze niet en helpen ze bij jouw activiteit? Een productnaam of merk bewijst geen artrose-effect.
Pas schoenen en loop ermee. Controleer drukplekken en balans. Als gewone schoenen niet passen of onvoldoende helpen, kunnen podotherapeut of orthopedisch schoentechnicus een gerichte aanpassing beoordelen. [5], [40], [41]
7.3 Kun je op blote voeten lopen?
Een algemeen verbod op lopen op blote voeten is niet onderbouwd. Het is ook geen bewezen behandeling voor voetartrose. Bij een pijnlijk, stijf MTP1 ontbreekt zonder schoen de stijve of afwikkelende zool die soms juist helpt.
Een kort moment thuis kan anders uitpakken dan lang lopen op een harde of ongelijke ondergrond. Kies op comfort, evenwicht en huidbescherming. Bij wonden, verminderd beschermend gevoel of medische beperkingen gaat een persoonlijk beschermingsadvies vóór experimenteren.
7.4 Welke oefeningen passen bij jouw gewricht?
De oefeningen hieronder zijn voorbeelden uit fysiotherapievoorlichting om beweging, kracht en balans te oefenen. Stem de hoeveelheid af op wat je wilt kunnen doen en hoe je voet reageert. Er is niet één bewezen beste schema voor iedereen. Bij acute alarmsignalen of andere instructies na een operatie volg je eerst het medische advies.
Begin comfortabel, forceer geen harde gewrichtsblokkade en schakel terug bij forse napijn, zwelling of verlies van functioneren. Laat bij twijfel de uitvoering en uitgangsbelasting beoordelen. [42], [38]

Voorbeeld van een teenoefening. Stem de beweging af op het pijnlijke of stijve gewricht.
7.4.1 Enkelbeweging en balans
Ga zitten en trek je voet rustig naar je toe en duw hem weer van je af. Maak daarna kleine, rustige cirkels binnen de beschikbare beweging. Tien herhalingen is een voorbeeld uit de voorlichting, geen verplicht aantal.
Voor balans kun je bij een stevig steunpunt staan. Verminder steun alleen als dat veilig lukt. Het doel is gecontroleerd bewegen en staan, niet door een blokkade heen rekken. [42]
7.4.2 Kuitkracht en rustig rekken
Voor een rustige kuitrek houd je de achterste hiel op de grond. In de voorlichting wordt 20–30 seconden vasthouden en driemaal herhalen als voorbeeld gegeven. Kies een bereik dat prettig uitvoerbaar is.
Rustig op de tenen komen en gecontroleerd zakken kan de kuitkracht oefenen, mits enkel en grote teen dit toelaten. Een pijnlijk MTP1 kan juist veel worden belast bij deze oefening. Laat de uitvoering zo nodig aanpassen. [42]
7.4.3 Middenvoet en afwikkelen
Bij middenvoetklachten kan de fysiotherapeut je afwikkeling, voet- en kuitkracht en balans beoordelen. Het oefendoel volgt uit wat daarbij moeilijk blijkt. Minder goed afwikkelen vraagt niet automatisch om harder rekken of meer op de tenen staan.
Verdeel de belasting en beoordeel of lopen er in de praktijk beter door gaat. Voor één vast oefenprogramma voor alle middenvoetgewrichten is weinig directe onderbouwing beschikbaar.
7.4.4 De grote teen bewegen zonder te forceren
Beweeg de grote teen rustig actief binnen de beschikbare ruimte. Een harde benige eindstand is geen doel om doorheen te rekken. Bij het oefenen telt vooral of bewegen en afzetten beter uitvoerbaar worden.
Een kleine studie naar een bewegingsbeperking van de grote teen (functionele hallux limitus) combineerde meerdere behandelonderdelen. Daaruit volgt geen vast oefenschema voor iedere stijve teen of ernstige artrose. Stem oefenen af op de beweging die nog mogelijk is. [43]
7.5 Wat kunnen voeding en gewichtsbegeleiding bijdragen?
Een volwaardig voedingspatroon ondersteunt je algemene gezondheid. Bij overgewicht kan begeleiding helpen bij gezondheid en totale belasting. Je hoeft niet eerst af te vallen voordat hulp of bewegen zinvol kan zijn.
Hoeveel pijnvermindering gewichtsverlies specifiek bij voet- en enkelartrose geeft, is nog onvoldoende onderzocht. Een studie waarin mensen tijdens het lopen tijdelijk werden ontlast, onderzocht geen daadwerkelijk afvallen. Daaruit is dus geen pijnverminderingspercentage door afvallen af te leiden.
Er is in de beoordeelde bronnen geen overtuigend bewijs dat een dieet, kurkuma, collageen of glucosamine voetartrose geneest of kraakbeen terugbrengt. [2], [44]
7.6 Hoe pas je werk, rust en comfort aan?
Bij werk met veel lopen of staan kun je taken afwisselen, korte herstelmomenten plannen en passend schoeisel bespreken. Als problemen blijven bestaan, kunnen fysiotherapeut, ergotherapeut en bedrijfsarts helpen bij concrete aanpassingen.
Rust kan tijdelijk comfort geven, maar langdurig steeds meer vermijden kan ook beperken wat je nog durft en kunt. Zoek een haalbare opbouw. Warmte, koelen of warme sokken kunnen prettig zijn; bescherm de huid en wees extra voorzichtig bij minder gevoel.
Lees verder over klachten die blijven terugkomen
In het gratis e-book lees je hoe een ontregeld zenuwstelsel klachten kan blijven veroorzaken of versterken, en waarom steeds dezelfde lokale behandeling dan niet altijd voldoende helpt.
8. Welke behandelingen kunnen helpen?
Een behandeling kies je voor een duidelijk doel: minder pijn bij afzetten, langer kunnen lopen of betere stabiliteit. Het bewijs verschilt per gewricht en behandeling. Een uitkomst bij de grote teen geldt niet automatisch voor de enkel of kleinere tenen.

Pijnstilling wordt gekozen voor een concreet doel, met aandacht voor bijwerkingen.
8.1 Hoe kies en evalueer je een behandeling?
Bespreek eerst welke klacht de behandeling moet veranderen en waarom de gekozen aanpak daarbij past. Begin waar mogelijk met passende dagelijkse belasting, bewegen, schoeisel en zo nodig pijnstilling. Plan een evaluatie van pijn én functioneren.
Een injectie of operatie heeft een eigen afweging van verwachte winst, duur, risico’s en alternatieven. Niet iedereen hoeft dezelfde ladder te doorlopen. Bij ernstige beperkingen kan een specialistisch gesprek logisch zijn; verder niet-operatief behandelen blijft ook een keuze.
Vraag bij een behandeling: wat is bij mensen met mijn gewrichtsprobleem onderzocht, waarmee werd vergeleken en hoe lang hield een eventueel voordeel aan? Een voor-en-na-verbetering alleen bewijst geen specifieke behandelwerking.
8.2 Fysiotherapie en gerichte oefentherapie
Fysiotherapie kan helpen bij kracht, balans, beweging en het opbouwen van activiteiten. De inhoud hoort te passen bij het gewricht, jouw beperkingen en eventuele spier- of peesbijdragen.
In een haalbaarheidsstudie met 30 mensen met enkelartrose werd uitleg en oefenen vergeleken met algemeen fysiotherapeutisch advies. Het programma bleek uitvoerbaar. De studie was niet groot genoeg om betrouwbaar vast te stellen hoeveel extra pijnvermindering of functiewinst het gaf. [38]
Spreek daarom een meetbaar doel af, zoals een dagelijkse wandeling of een werktaak. Beoordeel of het programma dat doel dichterbij brengt en pas het zo nodig aan. [38], [42], [2]

Fysiotherapie wordt afgestemd op beweging, kracht, balans en dagelijkse activiteiten.
Wat voegt uitleg over pijn toe?
Uitleg over pijn kan helpen om beter te begrijpen wat je voelt en bewegen minder bedreigend te maken. Dat is niet hetzelfde als een volledig behandelprogramma.
Bij 68 mensen rond een knieprothese gaven twee educatiesessies na drie maanden geen extra pijnvermindering boven gebruikelijke zorg. Wel veranderde de aandacht voor pijn. [71]
Een overzicht naar pijneducatie en bewegen bij knieartrose vond na acht tot twaalf weken weinig tot geen extra effect op pijn en dagelijks functioneren. Angst voor bewegen en negatieve gedachten over pijn namen wel af, en het vertrouwen in het eigen kunnen nam toe. Deze uitkomsten komen uit kleine, uiteenlopende onderzoeken. Ze gaan niet over voet- of enkelartrose en onderzoeken geen volledig PRT- of BreinMedicijn-programma. [72]
8.3 Steunzolen, een koolstofplaat en andere hulpmiddelen
Een zool, plaat of brace kan de druk of beweging veranderen. Dat zijn verschillende hulpmiddelen met verschillende doelen. Een afgebakende proef helpt beoordelen of lopen comfortabeler wordt, zonder te veronderstellen dat het kraakbeen herstelt.
8.3.1 Steunzolen en orthesen
Bij 88 mensen met artrose van het grote-teengewricht gaf een gevormde steunzool na twaalf weken geen duidelijk voordeel boven een vlakke schijnzool. Het gemiddelde pijnverschil was −0,3 op een schaal van 0–10. Het 95%-betrouwbaarheidsinterval, dat de onzekerheid rond dat verschil weergeeft, liep van −1,2 tot 0,6. [45] [48]
Bij middenvoetartrose geven kleine onderzoeken een eerste gunstig signaal, maar ze zijn nog onvoldoende voor een definitieve conclusie over de werking. Het FOMO-protocol beschrijft hoe een onderzoek wordt uitgevoerd; het is geen gemeten behandelresultaat. [46] [47]
Beoordeel bij het uitproberen van een zool vooral of lopen gemakkelijker wordt, of de schoen prettig zit en of er drukplekken ontstaan. Spreek af wanneer je het resultaat evalueert. [45], [46], [47], [48]
8.3.2 Een verstijvende koolstofplaat
Een verstijvende koolstofplaat gaf bij 100 mensen met grote-teenartrose na twaalf weken gemiddeld 6,66 punten voordeel tegenover een flexibele schijnplaat, op een voetpijnschaal van 0–100. Beide groepen kregen daarnaast een revalidatieprogramma. Een hogere score betekende minder pijn. Het 95%-betrouwbaarheidsinterval was 0,65 tot 12,67. De plaat beperkt de buiging die het grote-teengewricht in de schoen moet maken. [40] [48]
Het gemiddelde voordeel was bescheiden. Probeer daarom of een plaat juist jouw afzetten en lopen gemakkelijker maakt, en beoordeel ook comfort en drukplekken. Dit onderzoek betrof het grote-teengewricht, niet alle gewrichten van voet en enkel.
8.3.3 Brace, bandage en tape
Een brace kan bedoeld zijn om een pijnlijke beweging te begrenzen of een instabiel gevoel te ondersteunen. Bij het bovenste spronggewricht en het subtalaire gewricht kunnen verschillende bewegingen worden beperkt.
Kleine laboratoriumstudies bij 13 respectievelijk 10 mensen laten zulke bewegingsverschillen zien. Ze bewijzen geen langdurige pijnwinst of beste draagduur. Een zachte bandage, stevige brace en tape zijn daarom niet uitwisselbaar.
Kies een concreet doel en evaluatiemoment. Stop bij drukschade, nieuwe doofheid of verkleuring en laat de pasvorm beoordelen. Houd de voet niet op eigen initiatief langdurig helemaal stil. [49], [50]
8.3.4 Teenspreiders en teenhulpmiddelen
Een teenspreider richt zich vooral op stand en druk, bijvoorbeeld bij hallux valgus. Dat is een andere vraag dan artrose van MTP1. Een teenhulpmiddel herstelt geen gewrichtskraakbeen.
Beoordeel of het hulpmiddel minder druk geeft, prettig in de schoen past en veilig is voor de huid. Bij kleinere tenen worden stand, drukplek, nagel en gewricht ieder apart bekeken.
8.4 Pijnstillers: doel en bijwerkingen
Pijnstilling kan bewegen of dagelijkse activiteiten gemakkelijker maken. Het middel verandert de gewrichtsstructuur niet. De keuze hangt af van de verwachte winst, andere aandoeningen, medicijngebruik en bijwerkingen. Bespreek middel, gebruik en duur met arts of apotheker. [51]
8.4.1 Paracetamol
Over paracetamol verschillen de aanbevelingen. Het Nederlandse Farmacotherapeutisch Kompas noemt zo nodig paracetamol als mogelijkheid. De Britse NICE-richtlijn raadt routinematig gebruik bij artrose af, omdat overtuigend bewijs voor voordeel ontbreekt. Bespreek welke keuze bij jou past en beoordeel of bewegen of dagelijkse activiteiten er merkbaar gemakkelijker door worden. [51], [2]
Ook bij vrij verkrijgbare middelen tellen dosering, andere producten met dezelfde stof en persoonlijke omstandigheden mee. Gebruik niet steeds meer omdat de naam artrose blijvende pijn zou betekenen. [51], [2]
8.4.2 NSAID’s als gel of tablet
NSAID’s zijn ontstekingsremmende pijnstillers, verkrijgbaar als gel of tablet. Welke vorm past, hangt af van de medische afweging. Bij tabletten wegen vooral risico’s voor maag en darmen, nieren, hart en bloedvaten mee; ook gel is niet voor iedereen geschikt.
Laat arts of apotheker meedenken bij andere medicijnen of aandoeningen. Gebruik de afgesproken hoeveelheid en duur en bespreek bijwerkingen. [51]
8.4.3 Opioïden bij langdurige pijn
NICE raadt sterke opioïden bij artrose af: de risico’s wegen zwaarder dan het te verwachten voordeel. Gewenning, afhankelijkheid en andere bijwerkingen zijn belangrijke nadelen. Langdurig opioïdgebruik kan soms ook de pijngevoeligheid verhogen; dat geldt niet automatisch voor alle pijnstillers. [2], [51]
Er bestaat geen algemene regel dat meer dan vijftien keer per maand pijnstilling artrosepijn chronisch maakt. Gebruik je opioïden en wil je veranderen? Bespreek begeleiding en zo nodig geleidelijk afbouwen; stop niet abrupt op basis van dit artikel. [51], [2]
8.5 Injecties: wat is onderzocht?
Injecties verschillen in middel, doel en onderbouwing. Een tijdelijke pijnvermindering na een prik bewijst niet automatisch dat het middel specifiek werkt: tijd, verwachting, de prik zelf en andere veranderingen kunnen meespelen. Vergelijkende onderzoeken helpen die effecten uit elkaar te houden.
8.5.1 Corticosteroïdinjectie
Of een corticosteroïdinjectie bij voet- en enkelartrose méér helpt dan een placebo, is nog onvoldoende onderzocht. Een overzicht vond twee kleine studies met samen 57 deelnemers. Een injectie kan voor tijdelijke symptoomverlichting worden besproken, maar deze studies geven daarvoor geen betrouwbare algemene effectschatting. [52]
In een later onderzoek werden 160 mensen met primaire enkelartrose verdeeld over hyaluronzuur plus corticosteroïd of corticosteroïd alleen; 135 mensen bleven in de analyse. Na twaalf weken verbeterde de gecombineerde pijn- en beperkingsscore (AOS, 0–100) gemiddeld ongeveer 21 punten met de combinatie, terwijl deze vrijwel gelijk bleef met alleen corticosteroïd. Lager betekent hier minder klachten. [53]
Een afzonderlijke pijnscore van 0–10 gaf een ander beeld: die daalde na twaalf weken ongeveer 1,9 punten in beide groepen, zonder aangetoond verschil. Na zes weken was juist deze pijnscore gunstiger met alleen corticosteroïd. De combinatiegroep kreeg drie injecties, de andere groep één. Dit onderzoek ondersteunt dus extra winst op de gecombineerde AOS-score, niet op iedere pijnmeting; het maakt ook niet duidelijk welk deel van de winst door het extra middel of de extra behandelmomenten kwam. [53]
Bespreek mogelijke pijn na de prik, infectie en tijdelijke verandering van je bloedsuiker. Beoordeel ook hoe lang een eventuele verbetering duurt. Er is geen vaste veilige herhaalfrequentie of gegarandeerde werkingsduur voor iedereen. [52], [53], [54]
8.5.2 Hyaluronzuur
Bij MTP1-artrose liet een onderzoek met 151 mensen na drie maanden geen voordeel van hyaluronzuur boven zoutoplossing zien. Voor enkelartrose raadt de AAOS-richtlijn hyaluronzuur alleen niet aan.
Een kleine oudere enkelstudie vergeleek hyaluronzuur met oefeningen, maar had geen placebovergelijking. Geen verschil tussen zulke kleine groepen bewijst ook geen gelijkwaardigheid. Een combinatie met corticosteroïd is weer een andere behandeling en maakt de negatieve bevinding voor hyaluronzuur alleen niet ongedaan. Geen van deze onderzoeken onderbouwt een belofte van nieuw kraakbeen. [55], [54], [56], [53]
8.5.3 PRP en ACP bij enkelartrose
PRP is bloedplaatjesrijk plasma; ACP is een benaming binnen dergelijke plasmaproducten. Bij enkelartrose is in Nederland een onderzoek met 100 deelnemers uitgevoerd. Twee PRP-injecties werden vergeleken met zoutoplossing als placebo.
Na 26 weken verbeterde de AOFAS-score, een gecombineerde score voor pijn, functioneren en stand van de enkel, ongeveer 10 punten met PRP en 11 punten met zoutoplossing. De schaal loopt van 0–100; hoger is gunstiger. Het aangepaste verschil was −1 punt, met een 95%-betrouwbaarheidsinterval van −6 tot 3. Ook na 52 weken was er geen aangetoond voordeel: verschil −2, interval −5 tot 2.
Beide publicaties betreffen dezelfde deelnemersgroep. Verbetering binnen beide groepen bewijst geen werking van PRP. Voor dit product en protocol is een belofte van extra pijnwinst of kraakbeenherstel dus niet gerechtvaardigd. Kosten, prikbelasting en risico’s horen bij de keuze. [57], [58]
8.6 Wanneer kan een operatie helpen?
Een operatie kan passen bij ernstige, aanhoudende beperkingen die overtuigend samenhangen met een bepaald gewricht. De ingreep moet bij de plaats en aard van het probleem passen. Een foto alleen bepaalt de keuze niet.
Bespreek welke functie de operatie kan verbeteren, welke beweging je inlevert of behoudt, welke risico’s bestaan en wat herstel vraagt. Een botrand verwijderen, een gewricht vastzetten en een gewricht vervangen zijn verschillende ingrepen.

De keuze voor een operatie hangt af van het betrokken gewricht, klachten en behandeldoel.
8.6.1 Enkel vastzetten of een enkelprothese
Bij een enkelfusie wordt het bovenste spronggewricht vastgezet. Een enkelprothese vervangt gewrichtsoppervlakken en probeert beweging te behouden. In de TARVA-trial verbeterden beide groepen; na een jaar was niet overtuigend aangetoond dat één ingreep voor alle deelnemers beter werkte. De keuze hangt onder andere af van stand, botkwaliteit, andere gewrichten, belasting en de kans op een latere nieuwe operatie. [59]
In de TARVA-studie werden 303 mensen van 50–85 jaar, die voor beide ingrepen geschikt waren, door loting verdeeld. Na 52 weken was de score voor moeite met lopen en staan gemiddeld 49,9 punten verbeterd na een prothese en 44,4 punten na vastzetten. De eindscore was respectievelijk 31,4 en 36,8 op een schaal van 0–100; lager betekent minder beperkingen. Beide groepen gingen dus duidelijk vooruit. [59]
De belangrijkste analyse omvatte 281 deelnemers. Het aangepaste verschil tussen de ingrepen was −5,56 punten in de richting van de prothese; het 95%-betrouwbaarheidsinterval liep van −12,49 tot 1,37. Er was daarmee geen duidelijke winnaar. Dat is niet hetzelfde als bewezen gelijkwaardigheid. [59]
Binnen het eerste jaar kwamen wondproblemen voor bij 13,4% na een prothese en 5,7% na vastzetten; zenuwletsel bij 4,2% en minder dan 1%. Na vastzetten was bij 7,1% het bot niet vastgegroeid én gaf dat klachten. Bespreek deze verschillende risico’s naast de verwachte verbetering van lopen en staan. [59]
8.6.2 Grote teen: botrand verwijderen, vastzetten of vervangen
Bij een cheilectomie wordt vooral een hinderende botrand verwijderd. Dat kan passen bij een bepaald, minder uitgebreid probleem. Een MTP1-fusie zet het grote-teengewricht vast; een prothese probeert beweging te behouden. De indicaties en risico’s verschillen.
Het vastzetten van het grote-teengewricht gaf in een onderzoek duidelijk minder looppijn dan afwachten. Na twaalf maanden was de gemiddelde pijn 1,3 tegenover 5,7 op een schaal van 0–10. Er deden 90 mensen van 40 jaar of ouder mee, met minstens een jaar klachten en voldoende pijn bij lopen; 89 voltooiden de follow-up. Het aangepaste verschil was −5,0, met een 95%-betrouwbaarheidsinterval van −6,1 tot −3,9. [60]
De deelnemers en behandelaars wisten welke behandeling werd gegeven; het onderzoek vond plaats in één centrum. Het vergeleek vastzetten met afwachten, niet met een optimaal begeleid oefenprogramma. De beschikbare onderzoeksgegevens geven geen volledig overzicht van complicaties. In een oudere vergelijking met vijftien jaar vervolg was vastzetten gunstiger dan het destijds gebruikte implantaat. Die uitkomst geldt niet automatisch voor alle moderne teenprothesen. [60] [61]
8.6.3 Middenvoet of achtervoet vastzetten
Bij een middenvoet- of achtervoetfusie worden specifiek geselecteerde gewrichten vastgezet om pijnlijke beweging te beperken. Een TMT-fusie, subtalaire fusie en enkelfusie zijn verschillende operaties. Andere gewrichten nemen een deel van de functie over.
Herstel kan een periode van ontlasten en daarna gecontroleerd opbouwen vragen. De duur hangt af van de ingreep en botheling. Wondproblemen, zenuwirritatie, materiaalhinder en niet-vastgroeien zijn relevante risico’s.
Werkhervatting en sport passen niet in één schema voor alle voetfusies. Volg de instructies van je operateur; die gaan vóór algemene oefeningen. [13]
8.6.4 Kijkoperatie en enkeldistractie
Een kijkoperatie kan een gerichte reden hebben, zoals een mechanische beknelling of los deel. Het woord ‘schoonmaken’ betekent niet dat artrose wordt teruggedraaid.
Bij enkeldistractie wordt het gewricht tijdelijk ontlast met een uitwendig frame. Een studie bij 50 mensen met artrose na een enkelletsel vergeleek distractie plus het verwijderen van hinderend weefsel (debridement) met alleen debridement. Na gemiddeld bijna vier jaar kwamen grote vervolgoperaties minder vaak voor in de distractiegroep. Pijn en functioneren verbeterden in beide groepen; op functioneren en kwaliteit van leven was geen duidelijk verschil aangetoond. Dit is geen bewijs dat nieuw kraakbeen wordt opgebouwd of dat een latere fusie altijd kan worden voorkomen. [62]
De belasting van het frame, problemen rond de pennen, infectierisico en onzekerheid horen bij het specialistische gesprek. [62]
8.7 Aanvullende en nieuwe behandelingen
Vraag ook bij aanvullende of nieuwe behandelingen naar de precieze aandoening, vergelijking en uitkomst. Een gunstig laboratoriumresultaat, ervaring of onderzoek bij een andere regio bewijst geen effect op jouw voetartrose.
8.7.1 Massage en acupunctuur
Massage kan tijdelijk prettig zijn of een passende spierbijdrage helpen onderzoeken. Tijdelijke verlichting bewijst geen genezing van artrose en sluit letsel niet uit.
Bij vroege enkelartrose vergeleek een klein onderzoek elektroacupunctuur plus krachttraining met alleen krachttraining. Van 78 deelnemers voltooiden 73 de vier weken. De gemiddelde gecombineerde pijn- en beperkingsscore (AOS, lager is beter) daalde van 78,5 naar 20,8 met de combinatie, tegenover 69,5 naar 39,1 met alleen krachttraining. De combinatiegroep verbeterde in deze korte studie dus meer. [63]
Er was geen schijnacupunctuur en de combinatiegroep kreeg extra behandeling en contact. Daardoor is niet vast te stellen hoeveel van de winst specifiek door de acupunctuur kwam of hoe lang het voordeel bleef bestaan. Dit was ook geen onderzoek naar grote-teenartrose. [63]
8.7.2 Shockwave en laaggedoseerde bestraling
Onderzoek naar shockwave bij een pees of hielprobleem beantwoordt een andere vraag dan werkzaamheid bij gewrichtsartrose. Laat dus eerst vaststellen waarvoor de behandeling wordt aangeboden.
Bij laaggedoseerde bestraling van 66 enkel- of voetgewrichten daalde de middelste pijnscore op een schaal van 0–10 van 7 vóór behandeling naar 5 na zes en twaalf weken en naar 4 na twaalf maanden. De middelste score is de score in het midden wanneer je alle scores op volgorde zet. Omdat een onbehandelde vergelijkingsgroep ontbrak, is niet duidelijk hoeveel van die afname door de bestraling kwam. Bespreek daarom ook risico’s, kosten en andere mogelijkheden; het ontbreken van gemelde bijwerkingen bewijst niet dat de behandeling risicoloos is. [64]
8.7.3 Supplementen en kraakbeenmiddelen
Voor een supplement of ‘kraakbeenmiddel’ dat artrose in voet, enkel of teen geneest, is in de beoordeelde bronnen geen overtuigend bewijs gevonden. Dat geldt ook voor beloften rond glucosamine, collageen en kurkuma.
Een onderzoek bij knieartrose of een theoretisch effect in het laboratorium is geen bewijs van herstel in jouw voet. Bespreek gebruik met arts of apotheker, zeker bij andere medicijnen, en beoordeel kosten en eventuele bijwerkingen.
8.7.4 Stamcellen en regeneratieve technieken
Een plaatselijk kraakbeendefect is iets anders dan uitgebreide artrose van een gewricht. “Regeneratief” verwijst naar herstel of vernieuwing van weefsel, maar die naam alleen bewijst niet dat een behandeling blijvend helpt.
De geraadpleegde AAOS-richtlijn vindt onvoldoende betrouwbare onderbouwing voor routinematige stamcelbehandeling bij enkelartrose. Ook PRP, hyaluronzuur en distractie geven hier geen garantie op herstel van het oorspronkelijke gewricht. Vraag bij een experimentele behandeling naar daadwerkelijk gemeten patiëntuitkomsten en risico’s. [54]
8.8 Waar kun je terecht en wat wordt vergoed?
De huisarts kan klachten, andere verklaringen en alarmsignalen beoordelen. Een fysiotherapeut helpt bij bewegen en opbouwen; een podotherapeut of orthopedisch schoentechnicus bij druk- en schoenvragen. Ergotherapie kan dagelijkse aanpassingen ondersteunen. Voor een onduidelijk lokaal probleem of operatievraag kan een orthopedisch chirurg die gespecialiseerd is in voeten en enkels passend zijn.
Ontstekings- of zenuwverschijnselen kunnen een andere specialistische route vragen. Een pedicure kan huid- en nagelzorg bieden binnen de eigen deskundigheid, maar een niet genezende wond hoort niet bij gewone cosmetische zorg.
Vergoeding hangt af van indicatie en verzekering. De regeling voor twaalf fysiotherapiebehandelingen bij heup- of knieartrose geldt niet automatisch voor voet- of enkelartrose. Schoenvoorzieningen kunnen onder voorwaarden verzekerd zijn, met een mogelijke eigen bijdrage en eigen risico. Controleer verwijzing en polis; niet elke zool of winkelschoen valt onder die regeling. [41], [65]
9. Wat als de pijn blijft, terugkomt of verandert?
Blijvende pijn vraagt niet automatisch meer van dezelfde behandeling. Kijk opnieuw naar het oorspronkelijke doel, welke klachten zijn veranderd en of het patroon nog bij dezelfde verklaring past.
9.1 Nooit verbeterd, teruggekomen of nieuwe klachten?
De oorspronkelijke klacht is niet verbeterd.
Ga na of de behandelde plek de herkenbare klacht voldoende verklaarde en of de behandeling goed kon worden uitgevoerd. Een zool die juist op een botrand drukt of een oefening die een harde blokkade forceert vraagt bijvoorbeeld bijstelling. Vergelijk ook wat er veranderde aan lopen, afzetten en bewegingsruimte, niet alleen aan de pijn.
De klacht was minder en is teruggekomen.
Kijk welke activiteiten of omstandigheden veranderden en of de pijn nog op dezelfde plek zit. Beoordeel gewricht, pezen, spieren en zenuwen opnieuw waar dat nodig is. Tijdelijke verbetering is informatie voor die afweging, maar bepaalt niet op zichzelf de volledige oorzaak.
Er zijn nieuwe of anders aanvoelende klachten.
Branden, gevoelsverlies, een andere pijnplek of nieuwe zwelling hoort niet automatisch bij het oude artroselabel. Na een ingreep tellen ook de wond en het verwachte herstel mee. Gebruik bij een plotselinge of duidelijke verandering de veiligheidsroute.
9.2 Wat vraagt pijn na een operatie of oude breuk?
Na een ingreep kunnen pijn en zwelling bij herstel horen. Nieuwe of toenemende klachten moeten wel worden beoordeeld in relatie tot die herstelfase. Denk aan wond of infectie, botheling, stand, materiaal, aangrenzende gewrichten, pezen en zenuwen.
Pseudoartrose betekent dat botdelen na een breuk of fusie onvoldoende vastgroeien. Het is iets anders dan gewone gewrichtsartrose. Een goede röntgenfoto sluit niet alle complicaties uit en een verstreken aantal weken bewijst geen volledig herstel.
Na een hallux-valgusoperatie moet duidelijk zijn welke ingreep is uitgevoerd en welk gewricht is onderzocht. Aanhoudende pijn na een technisch geslaagde operatie is op zichzelf geen bewijs van TMS. [13], [66]
9.3 CRPS na letsel of een ingreep
Bij CRPS kunnen na een letsel of operatie aanhoudende regionale pijn, overgevoeligheid, verschil in kleur of temperatuur, zwelling en problemen met bewegen ontstaan. Een deskundige beoordeelt de combinatie van verschijnselen. Een artrosefoto verklaart die combinatie niet automatisch. [19]
Hoe wordt CRPS beoordeeld?
Bij de klinische Budapestcriteria wordt gekeken naar vier groepen kenmerken: overgevoeligheid; verschil in kleur of temperatuur; zwelling of veranderd zweten; en problemen met bewegen of veranderingen van huid, haren of nagels. Voor de diagnose zijn gemelde klachten uit minstens drie groepen en tijdens onderzoek waargenomen tekenen uit minstens twee groepen nodig. De aanhoudende pijn staat niet in verhouding tot het letsel of verwachte herstel, en er mag geen betere verklaring zijn. Dit is een beoordeling door een deskundige, geen zelftest. [19]
De klinische expertvisie op het zenuwstelsel
Clarke, Schechter en Schubiner beschrijven CRPS in hun Diagnostic Guide vanuit het PPD/TMS-model. Volgens deze expertvisie kan een ontregeld zenuwstelsel zulke klachten opwekken en onderhouden, ook wanneer het oorspronkelijke letsel is hersteld. De auteurs betrekken daarbij het autonome zenuwstelsel, dat onder meer de doorbloeding regelt.
Binnen hun verklaring kunnen daardoor ook zichtbare verschijnselen, zoals verkleuring en zwelling, voorkomen.
Een deskundige beoordeelt daarom zowel mogelijke ontstekings- of zenuwprocessen als aanwijzingen voor deze PPD-route. Wanneer het klachtenpatroon daarvoor positieve aanwijzingen geeft, kan behandeling gericht op pijnverwerking, angst en stress onderdeel zijn van de aanpak, naast andere zorg die nodig is. [34]
9.4 Wanneer past een bredere aanpak?
Als het gewricht niet het hele klachtenbeeld verklaart, kijk dan gericht naar de overige bevindingen. Welke spier roept de bekende pijn op? Past de verdeling van doofheid of zwakte bij een zenuw? En verandert dezelfde klacht herhaald sterk door verwachting, spanning, ontspanning of afleiding?
Wanneer meerdere positieve zenuwstelselkenmerken samenkomen en geen andere medische verklaring beter past, kan een ontregeld zenuwstelsel de belangrijkste verklaring zijn voor de blijvende pijn. Dat biedt een andere behandelrichting dan alleen opnieuw hetzelfde gewricht behandelen. De spierpatronen en zenuwstelselkenmerken worden hierna uitgewerkt. [21] [34]
Lees verder over klachten die blijven terugkomen
In het gratis e-book lees je hoe een ontregeld zenuwstelsel klachten kan blijven veroorzaken of versterken, en waarom steeds dezelfde lokale behandeling dan niet altijd voldoende helpt.
10. Kunnen spieren en triggerpoints meespelen?
Spieren kunnen naast een gewrichtsprobleem bijdragen aan pijn rond de enkel en voet. Een triggerpoint wordt binnen de klinische praktijk beschreven als een gevoelige plek in een spier die pijn op die plek of verderop kan oproepen.
De spierpatronen hieronder komen uit het Handboek triggerpoint-therapie van Davies en Davies. Een behandelaar gebruikt ze om gericht te onderzoeken welke spier jouw bekende klacht kan oproepen. De afbeeldingen laten beschreven pijngebieden zien, geen diagnose bij een individuele lezer. [21] [23]
10.1 Wanneer past een spierbijdrage?
Een spierbijdrage wordt aannemelijker wanneer gerichte druk of aanspannen jouw bekende pijn oproept en een gerichte behandeling die klacht herhaalbaar vermindert. Binnen de klinische triggerpointbenadering zijn dat sterke aanwijzingen voor een bijdrage van die spier. Ook tijdelijke verbetering telt mee; blijvende verbetering versterkt het verband verder. [21]
De behandelaar vergelijkt dit met gewrichtsbeweging, pezen, gevoel en kracht. Niet het hele getekende pijngebied hoeft door druk te worden opgeroepen. Een gevoelig punt alleen is onvoldoende. Druk niet steeds hard om een patroon te testen, zeker niet bij een warme dikke voet, nieuwe uitval, een wond of nog niet beoordeeld letsel.
10.2 Welke spierpatronen zijn relevant voor enkel en voet?
De zeventien onderdelen hieronder onderscheiden spieren uit het onderbeen, de voet en de heup. Zwarte markeringen en arcering tonen de spierlocaties en pijngebieden zoals beschreven in het boek. Gebruik vooral het gebied dat bij jouw klacht past; de beoordeling staat in paragraaf 10.1. [21]
10.2.1 Voorste scheenbeenspier (tibialis anterior)
Deze spier ligt aan de voorzijde van het onderbeen en helpt de voet optrekken. Davies beschrijft pijn rond de voorzijde van de enkel, de binnenzijde van de voetrug en bovenzijde van de grote teen.
Nieuwe moeite met de voet optillen vraagt naast het spieronderzoek ook beoordeling van de zenuwfunctie.

10.2.2 Lange teenstrekker (extensor digitorum longus)
De lange teenstrekker ligt aan de voor-buitenzijde van het onderbeen en loopt via pezen naar de kleinere tenen. Het beschreven patroon betreft de voetrug en kleinere tenen.
Vergelijk de herkenbare klacht met beweging van de tenen, de eigen pezen en gevoel op de voetrug.

Davies & Davies, Handboek triggerpoint-therapie (2014), p. 296, figuur 10.8.
10.2.3 Lange strekker van de grote teen (extensor hallucis longus)
Deze lange strekker loopt vanuit het onderbeen naar de grote teen. Het boek beschrijft pijn op de voetrug en bovenzijde van de grote teen.
Dat gebied overlapt met klachten rond MTP1. De behandelaar beoordeelt daarom apart hoe ver de grote teen beweegt en of die beweging hard wordt afgeremd. Een spierbijdrage neemt een bestaand stijf grote-teengewricht niet weg.

Davies & Davies, Handboek triggerpoint-therapie (2014), p. 296, figuur 10.9.
10.2.4 Lange en korte kuitbeenspier (fibularis longus en brevis)
De lange en korte kuitbeenspier lopen aan de buitenzijde van het onderbeen. Hun pezen passeren de buitenenkel. De beschreven pijngebieden liggen rond de buitenenkel en buitenkant van de voet.
De pezen en zenuw langs de buitenenkel liggen dicht bij deze spieren. Gericht onderzoek helpt hun bijdragen uit elkaar houden.

10.2.5 Derde kuitbeenspier (fibularis tertius)
De derde kuitbeenspier ligt aan de voor-buitenzijde van het onderbeen. Davies beschrijft pijn vóór de buitenste enkelknobbel en bij de buitenkant van de hiel.
Bij onderzoek wordt nagegaan of aanspannen of gerichte druk dezelfde bekende klacht rond de buitenenkel oproept.

10.2.6 Tweehoofdige kuitspier (gastrocnemius)
De tweehoofdige kuitspier vormt een groot deel van de zichtbare kuit. In het boek lopen bepaalde beschreven pijnpatronen door naar de voetboog en soms rond de achter- of buitenenkel.
Bij een mogelijke spierbijdrage worden kuitfunctie en herkenbare pijn samen beoordeeld. Een nieuwe warme, dikke, pijnlijke kuit vraagt eerst medische beoordeling en is geen aanleiding voor stevige massage.

Davies & Davies, Handboek triggerpoint-therapie (2014), p. 304, figuur 10.23.
10.2.7 Scholspier (soleus)
De scholspier ligt dieper in de kuit. De geselecteerde patronen in de afbeelding tonen mogelijke pijn rond hiel en achterzijde van de enkel.
Die plaats kan overlappen met een achillespees- of ander hielprobleem. De spierbijdrage wordt daarom niet alleen uit de pijnplek afgeleid.

10.2.8 Achterste scheenbeenspier (tibialis posterior)
Deze diepe spier van het onderbeen loopt via een pees langs de binnenenkel naar de voet. Davies beschrijft vooral pijn in de achillespeesregio, met mogelijke uitbreiding naar kuit, hiel en voetzool.
De pees en spier worden apart van het gewricht onderzocht. Branden of gevoelsverlies aan de voetzool blijft daarnaast een eigen zenuwvraag.

10.2.9 Korte teenstrekkers op de voetrug
De korte teenstrekkers liggen op de voetrug. Het boek beschrijft vooral plaatselijke pijn op de voetrug en rond de tenen.
Bij pijn op de voetrug vergelijkt de behandelaar ook schoendruk, gewrichtsbeweging en gevoel in het gebied van een lokale zenuw.

10.2.10 Tussenbeenspieren in de voet (interossei)
De tussenbeenspieren liggen tussen de middenvoetsbeentjes. De beschreven patronen liggen bij de basis van de tenen, op de voetrug en in de tenen.
Een neuroom of andere structuur tussen de middenvoetsbeentjes kan in hetzelfde gebied klachten geven en vraagt eigen gericht onderzoek.

10.2.11 Afvoerder van de grote teen (abductor hallucis)
De afvoerder van de grote teen ligt langs de binnenrand van de voet. Het geselecteerde patroon betreft de binnenzijde van voet en hiel.
Een herkenbare klacht bij gericht onderzoek kan aanleiding zijn deze spier mee te wegen. Een probleem van de pees, voetzool of zenuw moet daarnaast passend worden onderzocht.

10.2.12 Afvoerder van de kleine teen (abductor digiti minimi)
Deze spier loopt langs de buitenrand van de voetzool naar de kleine teen. Davies beschrijft pijn aan de buitenkant van voet en hiel.
Een drukplek door schoenen of een gewrichtsklacht van de kleine teen kan op een vergelijkbare plek zitten. Het verloop en de reactie op afzonderlijke functies helpen het onderscheid.

Davies & Davies, Handboek triggerpoint-therapie (2014), p. 321, figuur 10.51.
10.2.13 Korte teenbuiger (flexor digitorum brevis)
De korte teenbuiger ligt in de voetzool en buigt de kleinere tenen. Het beschreven pijngebied ligt vooral in de voetzool en voorvoet onder de kleinere tenen.
De behandelaar vergelijkt de spierreactie met andere structuren onder de voet en met de bewegingen die jouw klacht oproepen.

10.2.14 Vierkante voetzoolspier (quadratus plantae)
De vierkante voetzoolspier ligt dieper in de voetzool. Het geselecteerde patroon toont mogelijke pijn rond hiel en voetzool.
Bij hielpijn worden de spierbevindingen vergeleken met andere plaatselijke oorzaken en het klachtenverloop.

Davies & Davies, Handboek triggerpoint-therapie (2014), p. 322, figuur 10.54.
10.2.15 Aanvoerder en korte buiger van de grote teen
Dit zijn twee verschillende spieren. De aanvoerder van de grote teen wordt in het boek verbonden met pijn onder de kopjes van kleinere middenvoetsbeentjes. Bij de korte buiger van de grote teen ligt het beschreven gebied onder de eerste middenvoetskop en aan de binnenzijde van de grote teen.
De afbeeldingen houden deze patronen apart. Pijn onder het grote-teengewricht kan ook uit dat gewricht of de kleine botjes eronder komen. Gericht onderzoek helpt dit van de beschreven spierpatronen te onderscheiden.

10.2.16 Korte buiger van de kleine teen
De korte buiger van de kleine teen ligt aan de buitenzijde van de voorvoet. Het boek beschrijft pijn rond de kleine-teenregio.
Controleer ook schoendruk, huid en de kleine teengewrichten. Een passende spierfunctie kan één bijdrage verduidelijken zonder alle klachten te verklaren.

Davies & Davies, Handboek triggerpoint-therapie (2014), p. 323, figuur 10.57.
10.2.17 Kleine bilspier (gluteus minimus)
De kleine bilspier ligt hoger, bij de heup. De beschreven afgeleide patronen kunnen langs de zij- of achterkant van het been tot de enkel lopen.
De pijnplek hoeft dus niet de plek van de betrokken spier te zijn. Gericht onderzoek onderscheidt deze spierbijdrage van een zenuwwortelprobleem of een lokale enkel- of voetklacht.

10.3 Wat betekent tijdelijke verbetering en terugkeer?
Wordt je bekende pijn bij gericht spieronderzoek herkend en neemt die herhaalbaar af na behandeling, dan ondersteunt dat een spierbijdrage. Bespreek ook of lopen, staan of een andere dagelijkse handeling daardoor gemakkelijker wordt. [21]
Keert de herkenbare spierpijn steeds terug, kijk dan naar belasting, herstel, slaap en het totale klachtenpatroon. Zijn er ook sterke wisselingen bij vergelijkbare activiteiten of duidelijke veranderingen door stress, ontspanning en afleiding? Dan verdient het zenuwstelsel aandacht. Hoofdstuk 12 bespreekt de combinatie van aanwijzingen; tijdelijke verlichting door massage alleen stelt die verklaring niet vast. [34]
11. Welke rol spelen werk, sport en overbelasting?
Lopen, lang staan, traplopen en afzetten kunnen pijn uitlokken. Dat betekent niet automatisch dat die activiteit de artrose heeft veroorzaakt of het gewricht verder beschadigt. Houd vier vragen uit elkaar:
- Vergroot een bepaalde belasting of een eerder letsel de kans op artrose?
- Lokt een activiteit pijn uit die er al is?
- Past die pijn werkelijk bij het gewricht waarin artrose is gevonden?
- Wat houdt de klachten op dit moment in stand?
Een vroegere enkelbreuk kan bijvoorbeeld aan artrose hebben bijgedragen. De pijn van vandaag kan ondertussen ook worden beïnvloed door pezen, spieren of de reactie van het zenuwstelsel. Die vier vragen hebben dus niet automatisch hetzelfde antwoord.
11.1 Welke belasting of welk letsel verhoogt het risico?
Eerder belangrijk gewrichtsletsel kan het risico op artrose verhogen. Langetermijnonderzoek na geopereerde enkelfracturen ondersteunt die relatie in een geselecteerde groep. Dat zegt niet dat iedere verzwikking of drukke werkdag artrose veroorzaakt. [6]
Bij werk en sport tellen het betrokken gewricht, eerdere blessures, stabiliteit en de feitelijke belasting mee. Gewoon lopen of staan is iets anders dan een gewrichtsbreuk. De hoeveelheid stappen of je beroep is daarom niet op zichzelf de verklaring voor blijvende pijn. Paragraaf 1.4 gaat in op het ontstaan van artrose. [1] [2]
11.2 Betekent pijn bij bewegen dat je schade veroorzaakt?
Pijn tijdens bewegen is geen directe maat voor kraakbeenverlies. Dezelfde wandeling kan de ene dag anders voelen dan de andere. De beweging, eerdere pijnervaringen, slaap en omstandigheden kunnen daarbij meespelen.
Een andere schoen, een kortere wandeling of minder belasting kan een taak makkelijker maken. Dat is nuttig, maar bewijst nog niet dat de oorspronkelijke schoen of wandeling de artrose heeft veroorzaakt. Vergelijk wat er tijdens en na de activiteit gebeurt. Toenemende zwelling, duidelijk functieverlies, nieuw letsel en instructies na een operatie blijven belangrijk. De praktische opbouw staat in hoofdstuk 7. [2] [34]
11.3 Wat als rust of minder belasten niet helpt?
Tijdelijk minder belasten kan helpen bij een activiteit die veel klachten oproept. Rust laat een veranderde gewrichtsstand, artrose of een harde bewegingsbeperking niet vanzelf verdwijnen. Geen verbetering door rust sluit een gewrichtsbijdrage dus niet uit.
Blijft de pijn bestaan terwijl de veronderstelde overbelasting duidelijk is verminderd? Beoordeel opnieuw of pijnplek, bewegingen en onderzoek dezelfde verklaring ondersteunen. Kijk ook naar pezen, spieren en zenuwen. Als het gewricht onvoldoende verklaart én er meerdere positieve zenuwstelselkenmerken zijn, is alleen steeds meer ontzien geen complete aanpak. Hoofdstuk 4 helpt die afweging maken.
11.4 Zijn je voeten en enkels kwetsbaar voor gewoon gebruik?
Je voeten en enkels dragen je, helpen je afzetten en passen zich aan verschillende ondergronden aan. Ze zijn niet onverwoestbaar: letsel, instabiliteit en een veranderd gewricht kunnen bepaalde handelingen moeilijk of pijnlijk maken.
Maar ook het beeld van een voet die door iedere gewone stap alleen verder afslijt is onvolledig. De vraag is of “te veel doen” of “verkeerd belasten” op zichzelf verklaart waarom klachten maanden of jaren blijven bestaan.
Wat zouden we verwachten als belasting op zichzelf voldoende was?
- Hoeveelheid belasting: mensen die langdurig veel meer lopen, dragen of staan zouden duidelijk vaker blijvende klachten moeten krijgen. Bij dezelfde persoon zou herhaald meer van dezelfde belasting ook een herkenbare toename van klachten moeten geven. Eén pijnlijke wandeling is daarvoor niet voldoende.
- Houding en ergonomie: een passende aanpassing van de veronderstelde ongunstige houding of taak zou duurzaam moeten helpen. Minder pijn met een andere schoen kan waardevol zijn, zonder dat daarmee de volledige oorzaak is gevonden.
- Rust en herstel: als alleen een tijdelijke overbelasting speelt, zou voldoende vermindering daarvan een redelijk voorspelbaar herstel moeten geven. Bij bestaande artrose kunnen gewrichtsveranderingen blijven bestaan; daarom lost rust niet iedere klacht op.
- Verschillende bevolkingsgroepen: groepen die structureel zwaarder werk doen of veel meer lopen zouden duidelijk vaker langdurige voetpijn en uitval moeten hebben dan vergelijkbare, minder belaste groepen. Leeftijd, eerder letsel en het soort werk tellen in zo’n vergelijking mee.
- Vroegere samenlevingen: het vele lopen, dragen en bouwen zonder moderne hulpmiddelen zou vanzelf tot grootschalige blijvende uitval hebben geleid. Dat roept de vraag op hoe goed het beeld van een kwetsbare voet past bij het dagelijks noodzakelijke gebruik van onze benen en voeten.
De historische en evolutionaire betekenis
Lichamelijke inspanning was ook vroeger nodig om te leven en te werken. Het vermogen om te herstellen en zich aan belasting aan te passen past niet bij het idee dat gewoon gebruik het lichaam uitsluitend beschadigt.
Dit is een redenering over dat kwetsbare lichaamsbeeld, geen onderzoek waaruit blijkt dat vroegere mensen geen artrose of pijn hadden. De hier gebruikte studies leveren geen geschikte vergelijking van alle beroepsgroepen of historische bevolkingen. Ontbrekende cijfers betekenen niet dat zware belasting geen risico heeft.
Wat betekent dit voor jouw voet of enkel?
Neem een passend gewrichtsprobleem serieus, zonder iedere pijnlijke stap als nieuwe schade te zien. Alleen “te veel lopen”, “verkeerd belasten” of “een verkeerde houding” is geen volledige verklaring voor elke langdurige voetklacht. De pijnplek, het onderzoek en het verloop moeten die verklaring ondersteunen.
Helpen steeds meer rust of telkens andere aanpassingen niet blijvend, dan is herbeoordeling zinvoller dan uitsluitend verder ontzien. Zijn er daarnaast sterke wisselingen bij vergelijkbare activiteiten of duidelijke veranderingen door stress, ontspanning of afleiding? Dan kan een ontregeld zenuwstelsel een belangrijke rol spelen. Hoofdstuk 12 legt uit wanneer die verklaring past. [34]
Meer uitleg over belasting en aanhoudende pijn
Lees in het gratis e-book hoe belasting, verwachtingen en een ontregeld zenuwstelsel bij aanhoudende klachten kunnen samenhangen.
12. Wanneer wijzen artroseklachten op een ontregeld zenuwstelsel?
Wanneer de gevonden gewrichtsafwijking je blijvende klachten onvoldoende verklaart én meerdere positieve kenmerken samenkomen, kan een ontregeld zenuwstelsel pijn veroorzaken of versterken. Dat kan ook wanneer er tegelijk artrose aanwezig is.
12.1 Wat is een ontregeld zenuwstelsel en wat is TMS?
Pijn en andere lichamelijke klachten hebben een beschermende functie. Bij een verwonding kan pijn bijvoorbeeld waarschuwen dat er iets beschadigd is. Maar de hoeveelheid pijn laat niet één-op-één zien hoeveel schade er in het lichaam aanwezig is.
Het brein en zenuwstelsel verwerken niet alleen signalen uit het lichaam. Ook eerdere ervaringen, verwachtingen en de situatie waarin je je bevindt spelen mee bij de beoordeling of iets veilig of bedreigend is.
Bij langdurige klachten kan dit alarmsysteem te gevoelig worden. Pijn, vermoeidheid, tintelingen, een branderig gevoel of spierspanning kunnen dan blijven ontstaan of sterker worden, terwijl voortdurende weefselschade of druk op een zenuw het klachtenbeeld niet voldoende verklaart.
De klachten zijn daarbij echt en ontstaan niet bewust. Met een ontregeld zenuwstelsel bedoelen we dat het brein en zenuwstelsel te snel of te sterk reageren op signalen die als bedreigend worden ingeschat.
Revalidatiearts John Sarno beschreef dit als Tension Myositis Syndrome (TMS). Onder anderen Howard Schubiner, David Schechter en Alan Gordon ontwikkelden deze benadering verder. Pijnonderzoeker Lorimer Moseley legt uit hoe pijn ons tegen gevaar beschermt.
In de medische en wetenschappelijke literatuur kom je ook termen tegen als nociplastische pijn, neuroplastische pijn en centrale sensitisatie. Deze begrippen betekenen niet precies hetzelfde, maar hebben gemeen dat veranderingen in de verwerking van signalen door het zenuwstelsel een belangrijke rol kunnen spelen.
PPD staat voor psychofysiologische aandoeningen: de term uit de genoemde Diagnostic Guide. In dit artikel gebruiken we vooral de begrijpelijke term ontregeld zenuwstelsel. Meer achtergrond vind je in onze uitleg over chronische pijn. [22] [34]
Bekijk de uitleg van Howard Schubiner
De bouwvakker met de spijker door zijn schoen
Een Engelse bouwvakker sprong van een steiger en landde op een spijker die dwars door zijn schoen ging. Hij schreeuwde van de pijn en kreeg sterke pijnstilling. Toen de schoen werd verwijderd, bleek de spijker tussen zijn tenen door te zijn gegaan. Zijn voet was niet verwond.
De pijn was echt, maar de verwachte schade was er niet. Wat hij zag en dacht dat er was gebeurd, kon dus een hevige pijnreactie oproepen. [67]

De spijker ging door de schoen, maar had de voet niet verwond.
De rubberen-handillusie
Bij de rubberen-handillusie kan een kunsthand als onderdeel van het eigen lichaam aanvoelen. Een dreiging naar die hand kan een schrik- of dreigingsreactie oproepen. Dat is op zichzelf geen bewijs dat de proefpersoon pijn voelde. De demonstratie laat zien hoe het brein lichaamswaarneming en dreiging kan beïnvloeden. [68], [69]
Bekijk de demonstratie met een rubberen arm
Verwachting kan pijn veranderen
Pijn en schade zijn dus niet hetzelfde. Dat betekent niet dat schade nooit belangrijk is, maar wel dat het brein ook verwachtingen en eerdere ervaringen meeweegt.
Wil je uitgebreider lezen hoe zo’n zenuwstelsel klachten kan veroorzaken en in stand houden? In ons gratis e-book leggen we dit stap voor stap uit.
Download het gratis e-book over de verborgen oorzaak van chronische klachten
12.2 Welke aanwijzingen passen bij een ontregeld zenuwstelsel?
Een ontregeld zenuwstelsel wordt niet alleen herkend aan wat een foto of scan níét laat zien. De klinische gids van Clarke, Schechter en Schubiner beschrijft positieve kenmerken in het klachtenpatroon. De aanwijzingen worden sterker wanneer meerdere van de volgende patronen samenkomen. [34]
- De klachten wisselen in intensiteit, verplaatsen of verspreiden zich. Soms zijn ze sterk aanwezig en op andere momenten veel minder, zonder duidelijke verandering in lichamelijke belasting.
- Stress of emoties verergeren je klachten. Wanneer je ontspannen of afgeleid bent, verminderen ze juist, bijvoorbeeld tijdens een hobby of een prettig gesprek.
- De klachten beginnen al vóór een activiteit of verschillen sterk tussen situaties met ongeveer dezelfde belasting. Verwachting of de situatie maakt dus verschil.
- Veel controleren of steeds letten op wat je qua klachten voelt, gaat samen met meer klachten.
- Je bent bang dat bewegen of belasten je gewricht verder beschadigt. Daardoor ga je bewegingen vermijden of je gewricht steeds meer beschermen.
- De klachten zijn ontstaan of toegenomen tijdens of na een stressvolle periode. Ook in het verleden had je soms langdurige klachten zonder duidelijke oorzaak.
- Eerdere behandelingen helpen steeds maar tijdelijk of het resultaat past niet bij de aangenomen lokale verklaring. Dat vraagt herbeoordeling en bewijst op zichzelf geen ontregeld zenuwstelsel.
- Triggerpoints roepen je herkenbare klachten op. Gerichte behandeling verandert de klachten, maar de triggerpoints en klachten blijven terugkomen.
Niet ieder kenmerk hoeft aanwezig te zijn. Past geen andere medische verklaring beter en komen meerdere positieve aanwijzingen samen? Dan kan een ontregeld zenuwstelsel de meest waarschijnlijke oorzaak zijn.
Ontdek of een ontregeld zenuwstelsel bij jouw klachten meespeelt
Met de gratis Artrose test krijg je een eerste indicatie van de mate waarin een ontregeld zenuwstelsel bij jouw klachten meespeelt.
12.3 Hoe kan een ontregeld zenuwstelsel klachten in stand houden?
Wanneer het zenuwstelsel een beweging of situatie als bedreigend heeft leren herkennen, kan het daarop steeds sneller reageren. Zo kan bijvoorbeeld wandelen, traplopen of een bepaalde beweging klachten gaan oproepen, ook wanneer die activiteit op zichzelf geen schade veroorzaakt.
Dit gebeurt niet bewust. Het zenuwstelsel heeft als het ware geleerd: hier moet ik voor oppassen. Verwachting, angst en eerdere ervaringen kunnen die beschermingsreactie vervolgens versterken.
De 9 F’s die herstel in de weg kunnen zitten
Ook de manier waarop je op klachten reageert, kan het alarmsysteem onbedoeld actief houden. Denk aan voortdurend letten op de klachten, bang zijn dat je je gewricht verder beschadigt, steeds een nieuwe oplossing zoeken of de klachten proberen weg te krijgen.

De 9 F’s zijn geen aparte oorzaken of diagnoses. Ze laten zien welke gedachten, emoties en gedragingen het gevoel van dreiging kunnen blijven versterken.
Zo kan een vicieuze cirkel ontstaan
Klachten kunnen onzekerheid of angst oproepen. Daardoor ga je er meer op letten, activiteiten vermijden, je lichaam testen of steeds zoeken naar een oplossing. Voor het zenuwstelsel kan dat opnieuw bevestigen dat er iets mis of gevaarlijk is.
Het alarmsysteem blijft daardoor actief en de klachten kunnen sterker worden. Dat zorgt weer voor meer onzekerheid en beschermgedrag. Zo kunnen klachten, onzekerheid, gedrag en het alarmsysteem van het zenuwstelsel elkaar blijven beïnvloeden.

De vicieuze cirkel van klachten.
Het herkennen van deze cirkel kan een belangrijke eerste stap zijn om hem te doorbreken.
Hoe dit er in de praktijk uit kan zien
Miranda vertelt over artrose in haar tenen naast klachten op meerdere andere plaatsen in haar lichaam.
Zij beschrijft een grote vermindering van haar totale pijn na het BreinMedicijn-programma. Haar verhaal maakt niet duidelijk hoeveel de teenklachten afzonderlijk veranderden. Het is haar persoonlijke herstelervaring, geen meting van het verdwijnen van artrose. [70]
Lees het volledige herstelverhaal van Miranda
Ontdek hoe deze vicieuze cirkel werkt
In de gratis online training van BreinMedicijn leggen we uit hoe een ontregeld zenuwstelsel klachten kan blijven versterken. Je ontdekt welke onderdelen van deze vicieuze cirkel je bij jezelf kunt herkennen. Ook leggen we uit wat je kunt doen om dit patroon te gaan doorbreken.
12.4 Wat laat onderzoek zien en wanneer past BreinMedicijn?
Twee soorten onderzoek helpen deze aanpak begrijpen: onderzoek naar het herkennen van een pijnpatroon en onderzoek naar behandeling. De regionale studies over foto’s en pijn staan in hoofdstuk 5. Onderzoek naar pijneducatie bij knieartrose wordt apart besproken bij uitleg en oefentherapie.
Een ontregeld zenuwstelsel kan aan kenmerken worden herkend
De Amerikaanse internist en onderzoeker Howard Schubiner en zijn collega’s onderzochten 222 mensen met langdurige rug- of nekpijn. Bij iedere deelnemer werd lichamelijk onderzoek gedaan en werden beschikbare scans beoordeeld. Bij 97,7% van de deelnemers was minstens één zichtbare afwijking aan de wervelkolom op de scans te zien.
Bij 88,3% beoordeelden de onderzoekers de zichtbare afwijkingen niet als de beste verklaring voor de pijn. Het klachtenpatroon paste volgens hun klinische beoordeling beter bij primaire pijn: pijn die niet voldoende door die afwijkingen werd verklaard. Dit was een beoordeling in één praktijk, geen behandelonderzoek of meting van de Artrose test. De percentages zijn geen schatting voor mensen met voetartrose. [73]
Ook langdurige pijn kan sterk verminderen
Een onderzoek naar Pain Reprocessing Therapy (PRT) volgde 151 volwassenen met langdurige rugpijn waarbij geen lichamelijke oorzaak de pijn voldoende verklaarde. Bij PRT leren mensen om pijnsignalen minder als teken van schade of gevaar te zien en bewegingen weer als veilig te ervaren. De deelnemers hadden gemiddeld ongeveer tien jaar pijn.
Na vier weken hadden de onderstaande deelnemers een gemiddeld pijnniveau over de afgelopen week van 0 of 1 op een schaal van 0–10. Dat telde als pijnvrij of vrijwel pijnvrij:
- 66% van de PRT-groep: 33 van de 50 deelnemers;
- 20% van de groep die wist dat zij een placebobehandeling kreeg: 10 van de 51 deelnemers;
- 10% van de groep met gebruikelijke zorg: 5 van de 50 deelnemers.
De verbetering bleef na één jaar grotendeels bestaan.

Pain Reprocessing Therapy: drie groepen in het onderzoek met 151 deelnemers.
Dit onderzoek ging over langdurige rugpijn, niet over artrose in voet, enkel of teen. De percentages kunnen daarom niet rechtstreeks op deze artroseklachten of op het BreinMedicijn-programma worden toegepast. Het laat wel zien dat langdurige klachten sterk kunnen verminderen wanneer een ontregeld zenuwstelsel een belangrijke rol speelt en de aanpak daarop gericht is. [74]
Pain Reprocessing Therapy is namelijk één van de methoden die binnen het behandelprogramma van BreinMedicijn wordt gebruikt.
Wanneer past BreinMedicijn?
BreinMedicijn kan passen wanneer je klachten medisch voldoende zijn onderzocht en meerdere aanwijzingen ondersteunen dat een ontregeld zenuwstelsel de klachten veroorzaakt of in stand houdt. Bij een gemengd beeld blijft ook passende zorg voor het gewricht of een ander aangetoond probleem nodig.
De gratis Artrose test helpt je te onderzoeken of er bij jouw klachten aanwijzingen zijn voor een ontregeld zenuwstelsel.
Je leert binnen het behandelprogramma onder andere anders reageren op pijn en tintelingen, angst voor beschadiging verminderen, beschermgedrag loslaten en aangeleerde reacties op bewegingen of situaties doorbreken.
In hoofdstuk 13 lees je welke vervolgstap in jouw situatie het meest logisch is.
Bekijk de aanvullende video van BreinMedicijn
13. Wat is de verstandigste volgende stap?
De volgende stap hangt af van wat je voet-, enkel- of teenklachten het beste verklaart en wat nog niet duidelijk is. Gebruik de vijf routes hieronder om gericht verder te gaan.
13.1 Nieuwe of alarmerende klachten: eerst medische beoordeling
Laat een plots niet belastbare voet of nieuwe forse zwelling snel beoordelen. Heb je diabetes en ontstaat een warme, rode, dikke voet of een nieuwe wond? Neem dezelfde dag contact op. Een plots koude, bleke of verkleurde pijnlijke voet, duidelijke nieuwe uitval of een warm dik gewricht met koorts vraagt direct contact. De volledige signalen en contactroutes staan in paragraaf 2.5; een online test of programma vervangt die zorg niet.
13.2 Artrose past overtuigend: gerichte zorg voor het gewricht
Bij passende, stabiele artrose kies je samen met je behandelaar voor doelgericht bewegen, schoenen of hulpmiddelen en zo nodig pijnstilling. Spreek af welke activiteit moet verbeteren, bijvoorbeeld afzetten, traplopen of een dagelijkse wandeling. Bij ernstige blijvende beperkingen kan een specialist beoordelen of een ingreep past. De opties en onderzoeksresultaten staan in hoofdstuk 8.
13.3 Twijfel over de verklaring: de 360° Klachtenanalyse
Ben je al medisch onderzocht, maar zijn klachten, uitslagen en behandelresultaten moeilijk met elkaar te rijmen? De 360° Klachtenanalyse helpt het geheel te ordenen. Je ontvangt een schriftelijke duiding en richting voor een vervolgstap. Het is geen medische diagnose of officiële second opinion.
13.4 Meerdere aanwijzingen voor een ontregeld zenuwstelsel
Verklaart het gewricht de klachten onvoldoende en herken je meerdere kenmerken uit hoofdstuk 12? Dan kun je een aanpak gericht op het zenuwstelsel verkennen. De Artrose test helpt de kenmerken ordenen. Het programma kan aansluiten bij deze verklaring; passende zorg voor andere bijdragen blijft daarnaast doorgaan.
13.5 De verklaring is duidelijk, maar herstel loopt vast
Wanneer een ontregeld zenuwstelsel al de waarschijnlijke verklaring is, maar herstel blijft steken, heeft de Herstelanalyse een andere functie: onderzoeken wat dat herstel belemmert. Bij twijfel over de verklaring past juist de 360° Klachtenanalyse.
Past een ontregeld zenuwstelsel bij jouw klachten? Bekijk het behandelprogramma. Op de programmapagina vind je ook de mogelijkheid om met de proefversie te starten.
Veelgestelde vragen over artrose in voet, enkel en teen
Hieronder vind je korte antwoorden op praktische vragen. De bijbehorende hoofdstukken geven de uitleg en afweging.
Is artrose hetzelfde als hallux valgus?
Nee. Hallux valgus is een scheefstand van de grote teen; hallux rigidus beschrijft een stijve, vaak pijnlijke grote teen met een gewrichtsprobleem. Ze kunnen samen voorkomen, maar de behandeling volgt het vastgestelde probleem. Zie het onderscheid bij MTP1.
Mag je met voetartrose op blote voeten lopen?
Dat kan soms prettig zijn, maar is geen bewezen behandeling. Bij een pijnlijk MTP1 kan een stijve of afwikkelende schoenzool juist helpen. Kies op comfort, evenwicht en huidveiligheid; bij een wond of verminderd gevoel geldt persoonlijk beschermingsadvies. Zie lopen op blote voeten.
Hoeveel kilometer mag je wandelen?
Er is geen algemeen aantal kilometers of stappen. Begin met wat haalbaar is, verander één onderdeel tegelijk en beoordeel de reactie tijdens en na het lopen. Aanhoudend meer zwelling of slechter functioneren vraagt bijstelling. Zie wandelen en lang staan.
Kan artrose ook in kleine tenen zitten?
Ja. Maar pijn in een kleine teen kan ook door stand, schoendruk, huid, nagel of een zenuw ontstaan. Resultaten van behandelingen voor de grote teen gelden niet automatisch voor kleine teengewrichten. Zie kleinere tenen.
Is een bult op de wreef altijd artrose?
Nee. Een botrand, ganglion en andere zwelling zijn verschillende bevindingen. Laat een nieuwe, groeiende of verontrustende bult beoordelen en prik hem niet zelf kapot. Een rode, warme of zeer pijnlijke zwelling vraagt snelle beoordeling. Zie de buitenkant van de voet.
Worden steunzolen of fysiotherapie vergoed?
Dat hangt af van indicatie en polis. De basisregeling voor fysiotherapie bij heup- en knieartrose geldt niet automatisch voor voet- of enkelartrose. Voor schoenvoorzieningen bestaan voorwaarden en mogelijk eigen kosten. Controleer dit vóór de behandeling. Zie hulpverleners en vergoeding.
Bronnen
Dit artikel is geschreven vanuit BreinMedicijn. Wij bieden zelf het behandelprogramma en de analyses aan waarnaar de tekst verwijst. De uitleg gebruikt richtlijnen, onderzoeken, patiëntinformatie en herkenbaar toegeschreven expertkennis. Een persoonlijke ervaring is geen vergelijkend behandelonderzoek.
Bronnen ondersteunen algemene uitleg; ze stellen geen persoonlijke diagnose. Onderzoeksresultaten blijven gekoppeld aan de onderzochte groep, het gewricht en de behandeling.
Artrose, onderzoek en mogelijke verklaringen
- [1] AAOS — Arthritis of the Foot and Ankle
- [2] NICE NG226 — Osteoarthritis recommendations
- [3] AAOS OrthoInfo — Ankle Fractures: Anatomy
- [4] AOFAS — Midfoot Arthritis
- [5] AAOS — Stiff Big Toe (Hallux Rigidus)
- [6] Post-traumatic ankle OA after malleolar fracture
- [7] Thuisarts — gewrichtsklachten
- [8] Thuisarts — Jicht
- [9] NHS — Ganglion cyst
- [10] Clinical Assessment Study of the Foot: prevalence
- [11] AAPM&R — Ankle and Foot Neuropathies and Entrapments
- [12] UMC Utrecht — jicht, onderzoek en diagnose
- [13] AOFAS — Midfoot fusion
- [14] NHS — peripheral neuropathy diagnosis
- [15] AAPM&R KnowledgeNow — Lumbar radiculopathy
- [16] AAPM&R KnowledgeNow — Electrodiagnosis of radiculopathies
- [17] Thuisarts — acuut koud pijnlijk been
- [18] Thuisarts — ik denk dat ik een trombosebeen heb
- [19] Nederlandse richtlijn CRPS type 1 — diagnostiek (2025)
- [20] NICE NG19 — Charcot arthropathy and diabetic foot
- [21] Davies & Davies — Handboek triggerpoint-therapie (2014). Expertbeschrijvingen en de in hoofdstuk 10 vermelde figuren.
- [22] Kosek — The concept of nociplastic pain (2024)
- [23] Lucas et al. — triggerpoint palpation reliability
- [24] Thuisarts — rughernia, wanneer bellen
- [25] ACR Appropriateness Criteria — Chronic Foot Pain, update 2025/publicatie 2026
- [26] NINDS — peripheral neuropathy
- [27] NHG/CVRM — enkel-armindex
- [28] Van Hasselt et al. — SPECT/CT clinical impact (2023)
- [29] ProSPECT prospective study protocol (2025)
- [30] Stegeman et al. — Can diagnostic injections predict the outcome in foot and ankle arthrodesis?
- [31] Clinical diagnosis of first MTP osteoarthritis (2011)
- [32] Radiographic OA, ankle pain and disability (2023)
- [33] Foot symptoms and radiographic OA (2008)
- [34] Clarke, Schechter & Schubiner (red., 2022) — A Diagnostic Guide for Psychophysiologic Disorders. Klinische expertgids.
Beloop, zelfzorg en behandelingen
- [35] Prognosis of ankle complaints and radiographic OA (2024)
- [36] First MTP radiographic natural history: 19 years
- [37] Nonoperative hallux rigidus: long-term follow-up
- [38] Ankle OA education and exercise feasibility RCT (2024)
- [39] NIAMS — Osteoarthritis: diagnosis, treatment and steps to take
- [40] Munteanu et al. — carbon shoe stiffening (2021)
- [41] Zorginstituut Nederland — Schoenvoorzieningen (Zvw)
- [42] Royal Devon NHS — Ankle arthritis exercises
- [43] Sesamoid mobilisation, FHL strengthening and gait training
- [44] Simulated weight reduction during walking in ankle OA
- [45] Paterson et al. — MTP1 contoured orthoses (2022)
- [46] Halstead et al. — midfoot orthoses feasibility (2015)
- [47] FOMO midfoot orthoses trial — protocol and abstract
- [48] Cochrane — non-surgical first MTP OA interventions (2024)
- [49] Ankle orthoses and kinematics (2006)
- [50] Subtalar orthoses and kinematics (2006)
- [51] Farmacotherapeutisch Kompas — Artrose
- [52] Foot/ankle intra-articular corticosteroids: systematic review (2025)
- [53] Woo et al. — ankle HA plus corticosteroid (2025)
- [54] AAOS ankle OA clinical practice guideline (2026)
- [55] First MTP hyaluronan versus saline
- [56] Ankle HA versus exercise trial (2008)
- [57] Paget et al. — ankle PRP versus saline, 26 weeks
- [58] Ankle PRP trial: 52-week follow-up
- [59] Goldberg et al. — TARVA RCT, NIHR full report
- [60] Miettinen et al. — HARD MTP1 fusion versus watchful waiting (2026)
- [61] First MTP fusion versus replacement: 15-year RCT follow-up
- [62] Ankle distraction plus debridement versus debridement
- [63] Electroacupuncture plus strength training in ankle OA (2025)
- [64] Low-dose radiotherapy for ankle/tarsal OA (2019)
- [65] Rijksoverheid — fysiotherapie in het basispakket
- [66] AAOS — Nonunions
Pijn, zenuwstelsel en herstelervaring
- [67] Fisher et al. (1995) — casus van de bouwvakker en de spijker
- [68] Botvinick & Cohen (1998) — rubberen-handillusie
- [69] Ehrsson et al. (2007) — dreiging bij een als eigen ervaren rubberen hand; angst-/dreigingsreactie, geen aangetoonde artrose- of pijnbehandeling.
- [70] Miranda — aangeleverd BreinMedicijn ervaringsverhaal
- [71] Baas et al. 2024 — PNE rond knieprothese
- [72] Hurley-Wallace et al. 2025 — pijneducatie en bewegen bij OA
- [73] Schubiner et al. (2024) — klinische beoordeling bij 222 mensen met rug- of nekpijn. Onderzoek bij rug- of nekpijn; geen artrose-effectpercentage.
- [74] Ashar et al. (2021) — Pain Reprocessing Therapy bij langdurige rugpijn. Onderzoek bij langdurige lage rugpijn; geen artrose-effectpercentage.
Scanbevindingen zonder bijpassende pijn
- [75] Culvenor et al. — MRI-kenmerken van knieartrose bij mensen zonder knieklachten (2019)
- [76] Son et al. — Ernstige radiologische knieartrose zonder het onderzochte langdurige pijnpatroon (2020)
- [77] Kim et al. — Heuppijn en radiologische heupartrose in twee cohorten (2015)
- [78] Brinjikji et al. — Wervelkolombevindingen bij 3.110 mensen zonder rugpijn (2015)
- [79] Jensen et al. — MRI van de lumbale wervelkolom bij 98 mensen zonder rugpijn (1994)
- [80] Boden et al. — Afwijkingen op MRI bij mensen zonder rug- of beenklachten (1990)
- [81] Borenstein et al. — MRI en rugpijn tijdens zeven jaar follow-up (2001)
- [82] Fardon et al. — Lumbar disc nomenclature, versie 2.0 (2014)
Verder lezen
Over artrose in andere gewrichten: handen, pols, schouder en nek.
Lees ook de uitleg over chronische pijn, het behandelprogramma, de gratis Artrose test, artrose-ervaringen en reviews. Ervaringen zijn persoonlijke verhalen en geen bewijs van het gemiddelde behandeleffect.




Marie de Jonge
op 13 Aug 2019