Ischias oorzaak en behandeling nummer 1 weten? Ontdek het hier!
Johan van Vliet - Chronische pijn expert & TMS coach

Alles over Ischias: symptomen, oorzaak en behandeling

In het kort

  • Ischias is een naam voor pijn die vanuit je bil naar je been uitstraalt, soms tot in je voet. Een geïrriteerde zenuwwortel door een hernia kan dit veroorzaken. Maar ook andere zenuwproblemen, spieren, heupklachten of een ontregeld zenuwstelsel kunnen vergelijkbare beenpijn geven. De naam ischias vertelt dus nog niet wat bij jou de oorzaak is.
  • De plaats van de pijn en veranderingen in gevoel en kracht helpen de oorzaak herkennen. Pijn langs één been, tintelingen of een doof gevoel kunnen bij een zenuwprobleem passen. Moeite met je voet optillen is een andere aanwijzing dan minder durven bewegen doordat het pijn doet.
  • Een afwijking op een MRI is pas een overtuigende verklaring als die bij je klachten past. De arts vergelijkt de kant en plek van de pijn met het onderzoek van je been. Een hernia of slijtage kan ook voorkomen zonder klachten. Niet iedereen heeft daarom meteen een scan nodig.
  • De behandeling hangt af van wat de beenpijn veroorzaakt. Bewegen binnen je mogelijkheden, fysiotherapie en soms pijnmedicatie kunnen helpen bij het dagelijks functioneren. Bij ernstige, aanhoudende klachten door een passende hernia kan een injectie of operatie worden besproken. Het verloop en de verwachte verbetering verschillen per behandeling.
  • Bel direct je huisarts of de huisartsenpost bij nieuwe duidelijke been- of voetzwakte, een doof gevoel rond anus of geslachtsdelen, niet kunnen plassen of nieuw verlies van controle over urine of ontlasting. Eén van deze verschijnselen is al reden om te bellen.
  • Blijven de klachten bestaan of past de gevonden aandoening niet goed bij je pijn? Kijk dan verder. Sterke wisselingen en duidelijke veranderingen door stress, ontspanning, afleiding of de verwachting van pijn kunnen samen wijzen op een ontregeld zenuwstelsel. Dat kan een belangrijke of zelfs de voornaamste verklaring zijn. De gratis Ischias Test hieronder helpt je zulke aanwijzingen bij jezelf te herkennen.

Belangrijk om te weten

Een ontregeld zenuwstelsel is meestal niet zichtbaar op een gewone MRI of zenuwtest. Daardoor kan het als mogelijke verklaring voor aanhoudende klachten over het hoofd worden gezien. Om deze mogelijkheid te herkennen, kijkt een behandelaar ook naar hoe je klachten wisselen en reageren op spanning, ontspanning en dagelijkse situaties.

Gratis Ischias Test

Bij langdurige of moeilijk verklaarbare beenpijn kan een ontregeld zenuwstelsel meespelen. De gratis Ischias Test helpt je herkennen of jouw klachten kenmerken daarvan hebben, zoals sterke wisselingen of duidelijke invloed van stress, ontspanning en afleiding.

De uitkomst biedt een eerste oriëntatie om te bepalen of het zinvol is deze verklaring verder te onderzoeken. De test vervangt geen medische diagnose.

Doe de gratis Ischias Test

Introductie

Pijn vanuit je bil naar je been kan zitten, lopen en slapen moeilijk maken. Misschien staat er een hernia op je MRI. Misschien is juist niets gevonden dat de pijn goed verklaart. In beide situaties wil je weten: waar komen mijn klachten vandaan en wat kan ik eraan doen?

Een hernia, vernauwing of andere zenuwaandoening kan de oorzaak zijn. Daarvoor moeten de klachten en het onderzoek bij elkaar passen. Soms komen vergelijkbare klachten uit spieren, pezen of de heup. Ook een ontregeld zenuwstelsel kan pijn veroorzaken of in stand houden.

In dit artikel lees je per mogelijke oorzaak welke aanwijzingen ervoor spreken, wat onderzoeken toevoegen en welke behandeling kan passen. Daarna kijken we naar klachten die blijven bestaan en naar de rol van belasting, triggerpoints en een ontregeld zenuwstelsel.

BreinMedicijn richt zich op aanhoudende klachten waarbij een ontregeld zenuwstelsel een rol speelt. De uitleg helpt je beoordelen wanneer het zinvol is om ook naar die mogelijkheid te kijken.

De aanpak van BreinMedicijn

Wil je weten hoe BreinMedicijn mensen begeleidt bij klachten die samenhangen met een ontregeld zenuwstelsel? Lees voor wie de aanpak bedoeld is en wat je in het programma leert.

Bekijk het behandelprogramma van BreinMedicijn

Inhoudsopgave

1. Wat is ischias?

Ischias betekent uitstralende pijn vanuit de bil naar het been. De pijn kan scherp, schietend of brandend zijn en soms tot in de voet lopen. Het is een klachtennaam, geen verklaring van de oorzaak.

Vaak wordt bij ischias gedacht aan een zenuwwortel in de onderrug die door een hernia geïrriteerd raakt. Maar niet alle pijn die op ischias lijkt, komt uit de rug. Een zenuw in de bil of het been, pijn uit spieren of gewrichten en een ontregeld zenuwstelsel vragen ieder een andere beoordeling.

Bij een ontregeld zenuwstelsel reageert het pijnsysteem te snel of te sterk. In medische teksten wordt ook gesproken over veranderingen in de pijnverwerking. In hoofdstuk 8 lees je hoe dit klachten kan veroorzaken en welke aanwijzingen daarbij passen.

1.1 Waar lopen de zenuwwortels en de grote beenzenuw?

Zenuwwortels zijn de eerste delen van zenuwen die vanuit de wervelkolom naar je lichaam lopen. Onderin de rug komen zenuwvezels samen in een netwerk. Een deel daarvan vormt de grote beenzenuw, de nervus ischiadicus, die door de bil naar het been loopt.

Deze zenuw bevat vezels uit de niveaus L4 tot en met S3. Bij ischiasachtige pijn zijn vooral de zenuwwortels L5 en S1 vaak van belang. De letters en cijfers geven aan op welke hoogte de zenuwen uit de wervelkolom komen.

Een probleem bij zo'n zenuwwortel in de rug zit dus op een andere plek dan een probleem van de grote beenzenuw in de bil. Beide kunnen beenklachten geven. De arts kijkt daarom niet alleen waar je pijn hebt, maar ook waar je minder voelt en welke bewegingen minder krachtig gaan.

Hoofdstuk 2.1 beschrijft de herkenbare beenklachten. In hoofdstuk 4.1 lees je hoe de arts gevoel, kracht en reflexen onderzoekt.

De grote beenzenuw en de zenuwwortels waaruit hij ontstaat.

De grote beenzenuw loopt vanuit het zenuwnetwerk onderin de rug door de bil naar het been.

1.2 Wat is het verschil tussen ischias, radiculaire pijn en radiculopathie?

Bij de beoordeling van beenpijn kun je drie termen tegenkomen:

  • Radiculaire pijn is pijn die uit een zenuwwortel komt. Je kunt daarbij pijn en tintelingen hebben zonder dat de arts verlies van kracht of gevoel vaststelt.
  • Radiculopathie betekent dat een zenuwwortel minder goed werkt. De arts vindt bijvoorbeeld minder spierkracht, minder gevoel of een veranderde reflex. Dit kan met radiculaire pijn samengaan.
  • Gerefereerde pijn betekent dat je pijn op een andere plek voelt dan waar die vandaan komt. Een spier of gewricht kan bijvoorbeeld pijn naar de bil of het been laten uitstralen.

Het verschil helpt bij de behandeling. Niet goed lopen omdat iedere stap pijn doet, is iets anders dan een voet niet goed kunnen optillen doordat een zenuw de spieren minder goed aanstuurt.

Een hernia of vernauwing kan een zenuwwortelprobleem veroorzaken. De term radiculopathie beschrijft dan wat er met de zenuw gebeurt; de hernia of vernauwing is de mogelijke oorzaak. Lees meer over het herkennen van een beknelde zenuw.

2. Hoe herken je ischias en wanneer moet je naar de dokter?

De verdeling van de pijn geeft een eerste aanwijzing. Ook telt mee of je minder gevoel hebt, minder kracht kunt zetten en wat staan, lopen of zitten met de klachten doet. Hieronder lees je wat bij een zenuwwortelprobleem past en wanneer je medische hulp nodig hebt.

2.1 Welke symptomen passen bij ischias?

Pijn in één bil en been, soms tot in de voet, past bij ischias door een geïrriteerde zenuwwortel. De pijn loopt bijvoorbeeld langs de achter- of buitenzijde van het been. Je kunt scherpe pijnscheuten, een branderig gevoel, tintelingen of een doof gevoel ervaren. Rugpijn hoeft er niet bij te zijn.

Hoesten, niezen of persen kan de beenpijn versterken. Ook zitten, lopen of bukken kan moeilijk zijn. Dat een beweging pijn doet, vertelt nog niet of de zenuw ook minder goed werkt.

Daarvoor onderzoekt de arts onder meer het gevoel en de kracht. Denk aan je knie strekken, je voet of grote teen optrekken en op hakken of tenen lopen. Nieuwe duidelijke zwakte van je been of voet vraagt directe medische beoordeling.

De uitleg van Thuisarts over een rughernia beschrijft deze klachten. In hoofdstuk 3.1 lees je wanneer een hernia een aannemelijke oorzaak is.

ischias-symptomen-klachten

2.2 Welke klachten passen minder goed bij een probleem met een zenuwwortel?

Beenpijn heeft niet altijd dezelfde oorzaak. Deze verschillen helpen om gericht verder te kijken:

Een scanbevinding aan de andere kant dan je beenpijn is minder overtuigend als verklaring. Ook klachten in een heel ander gebied zijn reden om opnieuw te kijken wat bij elkaar past. Het gaat om de combinatie; een pijntekening volgt niet altijd precies de grenzen van één zenuw.

Sterk wisselende klachten bij ongeveer dezelfde belasting verdienen eveneens aandacht. Vooral als stress, ontspanning of afleiding steeds verschil maakt, kan een ontregeld zenuwstelsel meespelen. In hoofdstuk 8.2 lees je hoe zulke aanwijzingen samen worden beoordeeld.

Kramp, een voelbare bult of zichtbare zwelling wordt niet vanzelf door ischias verklaard. Bespreek ook terugkerende hartkloppingen of onverklaard zweten met de huisarts. Rugpijn met zweten, duizeligheid en bijna flauwvallen vraagt directe beoordeling; zie de contactadviezen hieronder.

Staat niet de uitstralende beenpijn maar vooral één pijngebied voorop? Lees dan verder over lage rugpijn, bilpijn, pijn in het been of voetpijn.

2.3 Wanneer moet je direct medische hulp zoeken?

Bel direct je huisarts of de huisartsenpost bij één of meer van deze nieuwe verschijnselen:

  • Je hebt opeens duidelijk minder kracht in je been of voet, of die zwakte neemt toe.
  • Je voelt minder rond je anus of geslachtsdelen.
  • Je kunt niet meer plassen of krijgt nieuwe problemen met plassen samen met deze klachten.
  • Je kunt je urine of ontlasting niet meer ophouden.

Wacht niet tot alle verschijnselen tegelijk aanwezig zijn. Deze alarmsignalen bij een rughernia kunnen wijzen op zenuwen die snel beoordeeld moeten worden. Een gewone verstopping van de darmen is iets anders dan nieuw controleverlies over de ontlasting.

Bel ook direct bij een plots koud, bleek en pijnlijk been, zeker als gevoel of kracht afneemt. Rugpijn met zweten, duizeligheid en het gevoel dat je gaat flauwvallen vraagt eveneens directe beoordeling.

Neem dezelfde dag contact op bij een nieuw dik, warm of verkleurd been, of als je rug- of beenpijn hebt met koorts en je je erg ziek voelt. Een mogelijk trombosebeen en koorts met ernstig ziek zijn vragen ieder een eigen beoordeling.

Bel op werkdagen je huisarts bij nieuwe rugpijn na een val, kanker in je voorgeschiedenis met nieuwe rugpijn, of aanhoudende beperkingen en hevige pijn ondanks de afgesproken behandeling. Thuisarts beschrijft wanneer je bij rugpijn moet bellen.

3. Welke verklaringen kunnen ischiasachtige beenpijn veroorzaken?

Dezelfde soort beenpijn kan verschillende oorzaken hebben. Een hernia kan een zenuwwortel irriteren. Een spier kan pijn laten uitstralen zonder dat een zenuw bekneld zit. Ook de heup, pezen en bloedvaten kunnen klachten geven die op ischias lijken.

Daarnaast kan een ontregeld zenuwstelsel pijn veroorzaken of blijven oproepen. Dat is vooral relevant als de gevonden aandoening het klachtenpatroon niet goed verklaart en meerdere positieve aanwijzingen voor deze andere verklaring aanwezig zijn.

Hieronder lees je per mogelijkheid wat je kunt merken, welke bevindingen erbij passen en wat de verklaring minder aannemelijk maakt. Een arts vergelijkt die aanwijzingen bij jouw onderzoek. De uitvoering van de tests staat in hoofdstuk 4; de uitgebreide aandoeningsartikelen vind je via de links bij de betreffende uitleg.

3.1 Welke problemen in de rug kunnen een zenuwwortel irriteren of beknellen?

Een zenuwwortel kan in de onderrug geïrriteerd raken of minder ruimte krijgen. Mogelijke oorzaken zijn een hernia, vernauwing of wervelverschuiving.

Ook bij een zijwaartse kromming van de rug, scoliose, kijkt de arts of een zenuw werkelijk in de knel komt. Alleen scheefstand of slijtage op een foto verklaart geen uitstralende beenpijn. De plek van het probleem moet aansluiten bij de klachten en de bevindingen bij onderzoek.

Rughernia en uitpuilende tussenwervelschijven

Bij een rughernia puilt materiaal van een tussenwervelschijf naar buiten. Het kan tegen een zenuwwortel drukken of die irriteren. Daardoor kun je pijn krijgen die vanuit de bil door één been loopt, soms tot in de voet.

Wanneer past een hernia bij je klachten? De beenpijn, tintelingen of het dove gevoel volgen een gebied dat bij de betrokken zenuwwortel past. Hoesten, niezen of persen kan de pijn versterken. De arts onderzoekt ook of je minder kracht hebt, minder voelt of een veranderde reflex hebt aan dezelfde kant.

Twee voorbeelden: bij een probleem met zenuwwortel L5 kan het moeilijker zijn de voet of grote teen op te tillen. Bij S1 kan op de tenen staan moeilijker worden en kan de achillespeesreflex zwakker zijn. De arts vergelijkt dit met het gevoel en de pijn in hetzelfde been. Niet iedereen heeft al deze verschijnselen. Deze verschillen helpen bij het lichamelijk onderzoek.

Een hernia wordt een overtuigende verklaring wanneer deze bevindingen bij elkaar passen. Is een MRI nodig, dan kijkt de arts of de hernia aan dezelfde kant en bij de juiste zenuwwortel zit. Pijn in het linkerbeen wordt bijvoorbeeld niet goed verklaard door een afwijking die alleen een zenuwwortel rechts raakt.

Je hoeft niet eerst kracht te verliezen voordat een hernia pijn kan doen. Een herkenbaar klachtenpatroon en lichamelijk onderzoek kunnen al reden zijn voor behandeling; in de eerste weken is een MRI vaak niet nodig.

Een uitstulping op een scan kan ook bestaan zonder pijn. Alleen de woorden 'hernia' of 'bulging' in een verslag zijn daarom geen volledig antwoord. In hoofdstuk 4.6 lees je wat onderzoek bij mensen zonder klachten hierover laat zien.

Past de hernia niet goed, of verklaart die maar een deel? Dan worden ook andere mogelijkheden onderzocht, zoals de heup, spieren of een ontregeld zenuwstelsel. Lees hoe kracht, gevoel en reflexen worden onderzocht. Voor de volledige uitleg kun je verder naar ons artikel over een hernia bij L4/L5 of een hernia L5/S1.

Illustratie van een rughernia bij een zenuwwortel.

Wervelkanaal- of zenuwuitgangsvernauwing (stenose)

Bij stenose is er minder ruimte in het wervelkanaal of in de opening waar een zenuw naar buiten gaat. Daardoor kunnen zenuwen geïrriteerd raken of onder druk komen te staan.

Een herkenbaar patroon bij vernauwing van het wervelkanaal: je krijgt pijn, een zwaar gevoel of tintelingen in je bil of benen als je staat of loopt. Gaan zitten of vooroverbuigen geeft vaak verlichting. Hierdoor kan de afstand die je zonder klachten kunt lopen beperkt zijn.

De arts onderzoekt je benen en kijkt ook naar de heupen en doorbloeding. Wanneer het lopen dit herkenbare patroon geeft en een MRI een vernauwing laat zien die daarbij past, wordt stenose een aannemelijke verklaring. Eventueel verlies van gevoel of kracht geeft extra informatie over welke zenuwen betrokken zijn.

Een vernauwing op de MRI zonder passende klachten zegt minder. Krijg je bijvoorbeeld vooral liespijn bij draaien van de heup, dan verdient de heup onderzoek. Kuitpijn die bij inspanning opkomt, kan ook met de bloedvaten te maken hebben.

Hoofdstuk 4.1 legt uit hoe het looppatroon wordt beoordeeld. Lees voor het volledige onderscheid, onderzoek en behandeling ons artikel over stenose in de rug.


Wervelverschuiving (spondylolisthesis)

Bij wervelverschuiving, ook spondylolisthesis genoemd, staat een wervel wat verder naar voren of achteren dan de wervel eronder. Zo'n verschuiving hoeft geen klachten te geven.

Voor de beenpijn is vooral belangrijk of hierdoor een zenuw minder ruimte krijgt. Dan kunnen uitstralende pijn, tintelingen of minder gevoel ontstaan. Staan en lopen kunnen lastig worden. De arts vergelijkt de klachten met je spierkracht, gevoel en eventuele beelden van de rug.

Zit de vernauwing bij de zenuw die past bij jouw beenklachten, en vindt de arts bijpassende afwijkingen? Dan kan de wervelverschuiving de pijn verklaren. Is er alleen een verschuiving op een foto, zonder zo'n verband, dan is niet duidelijk dat juist die jouw beenpijn veroorzaakt.

Soms onderzoekt de arts ook of de wervels bij bewegen te veel ten opzichte van elkaar verschuiven. In hoofdstuk 4.5 lees je wanneer röntgenfoto's daarbij nuttig zijn. Voor verdere uitleg kun je naar ons artikel over wervelverschuiving en spondylolisthesis.

Artrose en degeneratieve veranderingen

Met artrose en degeneratieve veranderingen worden veranderingen aan gewrichten en tussenwervelschijven bedoeld die vaker voorkomen bij het ouder worden. Ze kunnen samengaan met rugpijn en stijfheid, maar zijn ook regelmatig zichtbaar bij mensen zonder pijn.

Voor ischiasachtige klachten is de vraag niet alleen hoeveel slijtage er te zien is. Is er door die veranderingen een zenuwuitgang vernauwd, en lopen jouw beenklachten in het gebied van die zenuw? Dan kan zo'n vernauwing de uitstraling verklaren.

Alleen een versleten schijf of verdikt gewricht op de scan verklaart tintelingen of krachtsverlies in het been niet. Als de klachten niet bij de zichtbare afwijking passen, moeten andere oorzaken worden vergeleken.

Hoofdstuk 4.6 laat met onderzoekscijfers zien hoe vaak scanveranderingen zonder pijn voorkomen. Lees verder over artrose in de rug of artrose in het algemeen.

3.2 Welke zenuwproblemen buiten de rug kunnen op ischias lijken?

Een zenuwprobleem hoeft niet in de rug te beginnen. Ook de grote beenzenuw in de bil of een zenuw verder in het been kan klachten geven. Om de plek van het probleem te bepalen, kijkt de arts naar waar je pijn hebt, waar je minder voelt en welke bewegingen minder krachtig gaan.

Piriformis en andere problemen diep in de bil

Diep in de bil lopen de grote beenzenuw en verschillende spieren dicht langs elkaar. Eén daarvan is de piriformis, de peervormige spier. Pijn uit die spier en beknelling van de zenuw zijn twee verschillende mogelijkheden.

Pijn diep in de bil kan erger worden bij lang zitten of bepaalde heupbewegingen. De pijn kan naar de achterzijde van het bovenbeen en verder uitstralen.

De behandelaar onderzoekt waar de pijn zit en of druk, rek of aanspannen van een bepaalde spier jouw bekende klacht oproept. Dat kan aannemelijker maken dat die spier een deel van de pijn veroorzaakt. Om te beoordelen of de zenuw bekneld raakt, zijn ook het gevoel, de kracht en zo nodig gericht aanvullend onderzoek van belang.

Een pijnlijke piriformis of pijn bij rek is dus niet genoeg om zenuwbeknelling vast te stellen. De arts vergelijkt ook een hernia, de heup en de pezen rond de bil. Nieuwe voetzwakte vraagt zenuwonderzoek, niet alleen behandeling van een pijnlijke spier.

Hoofdstuk 4.3 legt de gerichte bil- en piriformistests uit. De volledige vergelijking tussen spierpijn en zenuwbeknelling staat in ons artikel over piriformis syndroom.

De piriformis spier en de grote beenzenuw in de bil.

De piriformis spier ligt diep in de bil, vlak bij de grote beenzenuw.


Ligging van de piriformis spier bij de grote beenzenuw.

De piriformis spier en de grote beenzenuw liggen dicht bij elkaar.

Perifere zenuwproblemen en polyneuropathie

Bij een probleem van één zenuw in het been zitten pijn, tintelingen of een doof gevoel vaak in het gebied waarvoor die zenuw zorgt. Ook bepaalde bewegingen kunnen minder krachtig worden. De arts onderzoekt of het probleem bij een zenuwwortel in de rug zit of verderop langs een zenuw.

Bij polyneuropathie werken meerdere zenuwen minder goed. Klachten beginnen vaak in beide voeten: branderigheid, tintelingen, een doof gevoel of minder balans. Dat is een ander patroon dan uitstralende pijn vanuit één bil langs één been.

Onderzoek van kracht en gevoel, en zo nodig een zenuwgeleidingsonderzoek of naald-EMG, helpt het verschil bepalen. Bij een vermoeden van polyneuropathie wordt ook gezocht naar de oorzaak. Welke aanvullende tests nodig zijn, hangt af van het type zenuwprobleem.

Een normaal onderzoek van grote zenuwvezels beantwoordt niet elke vraag over de kleine zenuwvezels die onder meer pijn en temperatuur doorgeven. De arts kiest daarom onderzoek dat past bij het klachtenpatroon.

Hoofdstuk 4.4 beschrijft de zenuwonderzoeken. Lees verder over zenuwpijn en zenuwpijn in het been.

3.3 Welke andere structuren kunnen pijn naar het been laten uitstralen?

Ook zonder zenuwbeknelling kan pijn uit spieren, pezen of gewrichten naar het been uitstralen. De precieze pijnplek en wat druk of beweging daarmee doet, helpen deze oorzaken onderscheiden. Hieronder staan de heup, het bekken en pezen; triggerpoints krijgen daarna een eigen uitleg.

Heup- en SI-gewrichtsproblemen

Pijn in de lies of heup die bij draaien, lopen of traplopen toeneemt kan uit het heupgewricht komen. Soms voel je die pijn vooral in het bovenbeen of bij de knie. De arts kijkt of bewegen van de heup beperkt is en dezelfde bekende pijn oproept.

Pijn rond het SI-gewricht, tussen het heiligbeen en het bekken, zit vaker aan de achterkant van het bekken. Verschillende bewegingen of druk op het bekken kunnen de pijn oproepen. Een combinatie van herkenbare reacties kan deze plek als pijnbron aannemelijker maken.

Een heup- of SI-probleem past minder goed als verklaring voor duidelijk verlies van gevoel in een zenuwgebied of nieuwe voetzwakte. Dan moet ook een zenuwprobleem worden onderzocht. Eén pijnlijke beweging of een 'scheef bekken' is geen volledige diagnose.

In hoofdstuk 4.3 lees je hoe de heup en het SI-gewricht worden onderzocht. Meer over artrose als heupaandoening staat in het artikel over artrose in de heup.

Peesproblemen rond bil en bovenbeen

Een pees verbindt een spier met het bot. Een pijnlijke pees rond de heup of bil kan hinder geven bij zitten, lopen of traplopen.

Pijn vlak bij de zitknobbel, onderaan de bil, kan bij de aanhechting van de hamstrings passen. Lang zitten of de knie buigen tegen weerstand kan dan de bekende pijn oproepen. Bij een pees aan de buitenkant van de heup zit de gevoeligheid juist daar en kan heupbelasting pijn doen.

De behandelaar vergelijkt de pijnplek met wat rek, kracht zetten en bewegen oproepen. Een echo kan soms helpen, maar een veranderde pees op een beeld is pas relevant als die ook bij de klacht past. Een pijnlijke of verdikte pees is niet automatisch ontstoken.

Als het patroon past, kan begeleiding van de belasting en gerichte behandeling van de pees zinvol zijn. Tintelingen in een duidelijk zenuwgebied of voetzwakte vragen daarnaast een andere verklaring.

Lees hoe gerichte peesbelasting wordt onderzocht. Voor meer uitleg kun je naar ons artikel over peesklachten en peesontsteking.

3.4 Welke minder gebruikelijke of urgente verklaringen moeten worden herkend?

Sommige omstandigheden geven aanleiding om verder te zoeken dan de gebruikelijke rug-, spier- of gewrichtsproblemen. Hieronder staan herkenbare redenen om zo'n mogelijkheid te bespreken; het zijn geen oorzaken die bij iedereen met beenpijn onderzocht moeten worden.

Klachten die steeds rond de menstruatie terugkomen kunnen aanleiding zijn om endometriose te onderzoeken. Er zijn zeldzame gevallen beschreven waarbij dit de grote beenzenuw raakt. Een gepubliceerde casus met beeldvorming en weefselonderzoek laat zien waarom een duidelijk terugkerend cycluspatroon aandacht verdient.

Pijn met huidblaasjes in hetzelfde gebied kan bij gordelroos passen. Soms begint de pijn vóór de huiduitslag. Bij een mogelijke tekenbesmetting en bijpassende klachten kan de arts ook een zenuwwortelontsteking door de ziekte van Lyme beoordelen. Een losse positieve bloedtest verklaart de beenpijn niet.

Nieuwe pijn of uitval na een ongeval of ingreep, vooral bij een verhoogd bloedingsrisico, vraagt beoordeling van mogelijk letsel of een bloeduitstorting. Ook een ontstekings- of auto-immuunziekte wordt alleen een verklaring als er concrete aanwijzingen voor die aandoening zijn.

In hoofdstuk 2.3 staat wanneer je direct, dezelfde dag of op werkdagen moet bellen.

Breuk of letsel na een val of ongeval

Een breuk van een wervel of het bekken kan pijn geven na een val of ongeval. Nieuwe plaatselijke pijn en moeite met bewegen of belasten zijn reden voor onderzoek. Bij kwetsbaar bot kan ook een relatief klein ongeval voldoende zijn.

Wordt een actuele breuk gevonden op de plek die bij het ongeval en de pijn past? Dan kan die de plaatselijke klachten overtuigend verklaren. Bij tintelingen of krachtsverlies onderzoekt de arts daarnaast of een zenuw geraakt wordt.

Osteoporose betekent dat botten gemakkelijker breken. Lage botdichtheid zonder breuk verklaart op zichzelf geen ischiasachtige pijn. Ook een oude, genezen breuk hoeft niet de oorzaak van nieuwe klachten te zijn.

Infectie of abces

Rug- of beenpijn met koorts, ziek zijn of nieuwe zenuwuitval kan aanleiding zijn om een infectie te onderzoeken. Een abces is een ophoping van pus; als die bij zenuwen zit, kan er druk ontstaan.

De arts weegt ook je voorgeschiedenis mee, zoals een eerdere infectie of recente ingreep, en kiest zo nodig bloedonderzoek en beeldvorming. Wordt een infectie gevonden op de plek die je klachten verklaart, dan is medische behandeling nodig. Het ontbreken van koorts alleen sluit een infectie niet uit.

Bespreek rug- of beenpijn met koorts met de huisarts. Voel je je daarbij erg ziek, neem dan dezelfde dag contact op. Bij nieuwe duidelijke beenzwakte, niet kunnen plassen of gevoelsverlies rond anus of geslachtsdelen bel je direct.

Een gezwel dat druk op zenuwen geeft

Een gezwel kan soms tegen een zenuw drukken en uitstralende pijn veroorzaken. Dit is een minder gebruikelijke verklaring. Vooral nieuwe of toenemende klachten bij iemand die kanker heeft of heeft gehad, of duidelijke achteruitgang van kracht en lopen, vragen gerichte beoordeling.

De arts kijkt naar het hele klachtenverhaal en kiest zo nodig beeldvorming en verder onderzoek. Een gevonden gezwel dat werkelijk op de bijpassende zenuw drukt, kan de klachten verklaren. Een onduidelijke afwijking op een scan moet eerst verder worden beoordeeld.

Alleen 's nachts pijn hebben betekent niet dat je een tumor hebt. Volg de contactadviezen in hoofdstuk 2.3 bij nieuwe klachten of uitval.

Vaatproblemen en trombose

Pijn in het been kan ook uit de bloedvaten komen. Kuitpijn die tijdens lopen ontstaat en afneemt als je stopt, kan bij vernauwde slagaders passen. De arts onderzoekt de doorbloeding en kan de bloeddruk bij de enkel met die van de arm vergelijken.

Een nieuw dik, warm of verkleurd been kan op trombose wijzen. Neem dan dezelfde dag contact op met de huisarts. Bij een plots koud, bleek en pijnlijk been, zeker met minder gevoel of kracht, bel je direct.

Een voet die koud aanvoelt is niet hetzelfde als een voet die plots werkelijk koud en bleek wordt. Zichtbare zwelling of duidelijke kleurverandering verdient een eigen beoordeling en moet niet zomaar als ischias worden behandeld.

Hoofdstuk 4.5 beschrijft het vaatonderzoek. De informatie van Thuisarts over etalagebenen en trombose legt deze andere oorzaken verder uit.

3.5 Hoe verandert zwangerschap de beoordeling van uitstralende beenpijn?

Tijdens de zwangerschap kan pijn rond het bekken, de bil, lies of heup op ischias lijken. Pijn bij omdraaien in bed, traplopen of op één been staan past bijvoorbeeld bij zwangerschapsgerelateerde bekkenpijn.

De verloskundige, huisarts of fysiotherapeut kijkt waar je pijn hebt en welke bewegingen die oproepen. De uitleg dat de baby 'op de ischiaszenuw drukt' is niet voor iedere zwangere passend. Een zenuwwortelprobleem, spier- of peesklachten en bekkenpijn vragen verschillende behandeling.

Duidelijke voetzwakte of gevoelsverlies in een deel van het been wordt niet vanzelf door bekkenpijn verklaard. Ook een nieuw dik of rood been vraagt een eigen beoordeling.

De patiënteninformatie van het Britse gynaecologencollege RCOG beschrijft bekkenpijn tijdens zwangerschap. In hoofdstuk 5.4 lees je hoe de behandeling en dagelijkse aanpassingen daarop worden afgestemd.

3.6 Kunnen triggerpoints ischiasachtige beenpijn veroorzaken?

Ja, pijn uit spieren kan naar de bil en het been uitstralen. Triggerpoints zijn drukgevoelige plekken in een spier die plaatselijke of uitstralende pijn kunnen geven. Zo kan pijn uit een bilspier lijken op pijn uit een zenuw, terwijl een zenuwbeknelling niet is aangetoond.

Een behandelaar onderzoekt welke spier gevoelig is en of druk, aanspannen of bewegen jouw bekende klacht oproept. Voel je bijvoorbeeld bij druk op een bilspier de herkenbare pijn in je been? Dan is dat een aanwijzing dat die spier bijdraagt. Verandert dezelfde klacht na gerichte behandeling, dan geeft dat extra informatie.

De precieze spier maakt verschil. Niet iedere spier geeft dezelfde uitstraling. In hoofdstuk 6.4 lees je welke rug-, bil- en beenspieren relevant zijn en hoe hun pijnpatronen verschillen.

Blijven de gespannen spieren en klachten terugkomen, dan is het ook belangrijk te bekijken wat ze in stand houdt. Naast plaatselijke belasting kan een ontregeld zenuwstelsel daarbij meespelen.

3.7 Kan een ontregeld zenuwstelsel ischiasachtige pijn veroorzaken?

Een ontregeld zenuwstelsel kan pijn veroorzaken of in stand houden die op ischias lijkt. Het pijnsysteem reageert dan te snel of te sterk op bewegingen, sensaties of situaties. Je kunt daardoor echte pijn ervaren zonder dat voortdurende druk op een zenuw het klachtenbeeld goed verklaart.

Deze verklaring wordt aannemelijker als meerdere kenmerken samenkomen: de pijn wisselt sterk bij vergelijkbare belasting, ontspanning of afleiding geeft herhaaldelijk verlichting, of de klachten beginnen al bij de verwachting van een activiteit. Tegelijk moet worden beoordeeld of een zenuw-, heup- of andere aandoening beter bij de klachten past.

Terugkerende triggerpoints kunnen onderdeel van dit patroon zijn. Vooral wanneer spierbehandeling tijdelijk helpt, de spanning terugkomt en ook stress, aandacht of verwachting duidelijk invloed heeft. Een pijnlijke spierknoop alleen toont niet aan dat het zenuwstelsel ontregeld is.

Deze mogelijkheid kan worden gemist wanneer vooral naar scans wordt gekeken. In hoofdstuk 8 lees je hoe een ontregeld zenuwstelsel werkt. Hoofdstuk 8.2 bespreekt de positieve aanwijzingen en hoe je die samen beoordeelt.


Wil je begrijpen hoe een ontregeld zenuwstelsel klachten kan laten voortduren en wat je daaraan kunt doen? Bekijk de gratis online training van BreinMedicijn.

Online training oplossing voor chronische klachten

4. Hoe onderzoekt een arts wat de beenpijn veroorzaakt?

De arts onderzoekt eerst waar je klachten het beste bij passen. Zit het probleem bij een zenuwwortel in de rug, bij een zenuw verderop, of bij een spier, pees of gewricht? Je verhaal en het lichamelijk onderzoek bepalen welke vervolgstap zinvol is.

Je hoeft niet alle onderzoeken hieronder te ondergaan. Een MRI of zenuwmeting is vooral nuttig wanneer de uitslag iets kan veranderen aan de diagnose of behandeling. De richtlijn voor het onderzoek bij uitstralende beenpijn beschrijft hoe artsen die keuze maken.

4.1 Wat onderzoekt de arts bij het gesprek en lichamelijk onderzoek?

De arts vraagt waar je pijn hebt, hoe de klachten begonnen en wat je nog kunt. Vervolgens worden zo nodig het lopen, de spierkracht, het gevoel en de reflexen onderzocht. Ook de rug, heup en spieren kunnen worden bekeken.

Die onderdelen vullen elkaar aan: pijn bij een beweging, werkelijk minder kracht en minder gevoel zijn verschillende bevindingen. Hieronder lees je wat de arts ermee onderzoekt.

Het gesprek over je klachten

Wat gebeurt er? De arts vraagt wanneer de pijn begon, waar die naartoe trekt en of je ook tintelingen, minder gevoel of minder kracht hebt. Vertel welke activiteiten moeilijk zijn, wat helpt en wat er sinds het begin veranderd is. Eerdere onderzoeken, behandelingen en nieuwe klachten komen ook aan bod.

Wat zegt dit? Een herkenbare combinatie kan al richting geven. Beenpijn bij staan en lopen die afneemt bij zitten wijst bijvoorbeeld op een andere mogelijke verklaring dan plaatselijke liespijn bij het draaien van de heup. Geen rugpijn of geen voorafgaand ongeval sluit een zenuwwortelprobleem niet uit.

De arts vergelijkt je verhaal met wat bij het lichamelijk onderzoek wordt gevonden.

Spierkracht en dagelijkse bewegingen

Wat gebeurt er? De arts laat je bijvoorbeeld de knie strekken, de voet of grote teen optrekken of, als dat lukt, op de hakken of tenen staan. Daarbij wordt links met rechts vergeleken.

Wat zegt dit? Vindt de arts bij herhaald onderzoek minder kracht in dezelfde spieren? Dan kan de zenuw die deze spieren aanstuurt minder goed werken. De arts kijkt welke zenuw daarbij hoort. Een beweging die alleen door pijn moeilijk gaat, is iets anders dan spierzwakte door een zenuwprobleem.

Normale kracht maakt ernstige uitval van deze spieren minder waarschijnlijk. Je kunt wel pijn uit een zenuwwortel hebben terwijl je spierkracht goed is. Nieuwe of toenemende duidelijke zwakte vraagt directe medische beoordeling.

Gevoel in het been en de voet

Wat gebeurt er? De arts vergelijkt wat je voelt bij aanraking van verschillende plekken op je benen en voeten. Soms worden ook andere prikkels gebruikt.

Wat zegt dit? Een gebied waarin je bij onderzoek duidelijk minder voelt, kan helpen bepalen welke zenuwwortel of zenuw betrokken is. Minder gevoel in beide voeten geeft bijvoorbeeld aanleiding om ook een aandoening van meerdere zenuwen te onderzoeken.

Een tintelend of branderig gevoel betekent niet automatisch dat je bij aanraking minder voelt. Ook bij normaal gevoelsonderzoek kan een zenuwwortel pijn geven.

Kniepees- en achillespeesreflex

Wat gebeurt er? De arts tikt met een reflexhamertje op de pees onder je knie en op de achillespees bij je enkel. Daarbij worden de reacties aan beide kanten vergeleken.

Wat zegt dit? Een duidelijk zwakkere reflex aan één kant kan helpen bepalen welke zenuw minder goed werkt, vooral als gevoel of kracht in hetzelfde gebied ook veranderd zijn. Een normale reflex sluit pijn uit een zenuwwortel niet uit. Leeftijd en andere zenuwaandoeningen kunnen de reflexen eveneens beïnvloeden.

Lopen, houding en loopafstand

Wat gebeurt er? De arts bekijkt hoe je loopt en vraagt hoelang of hoever je kunt lopen. Wat gebeurt er bij staan, zitten, vooroverbuigen of even rusten? Ook moeite met het optillen van de voet of met het bewaren van je evenwicht wordt beoordeeld.

Wat zegt dit? Het verschil tussen houdingen helpt bij het onderscheid tussen bijvoorbeeld stenose, een heupprobleem en verminderde doorbloeding. Goed lopen tijdens een kort consult verklaart niet vanzelf waarom een langere wandeling moeilijk is. Vertel daarom concreet na welke afstand of tijd de klachten beginnen en wat ze weer vermindert.

4.2 Welke tests onderzoeken een mogelijk probleem met een zenuwwortel?

Bij deze tests beweegt de onderzoeker je been en soms ook je rug of nek. Hij of zij kijkt of jouw bekende uitstralende beenpijn wordt opgeroepen en of die verandert wanneer de houding wordt aangepast.

Een gewoon rekgevoel achter in het been is iets anders. De tests worden samen met je klachten, kracht, gevoel en reflexen beoordeeld. Ze zijn geen oefeningen om thuis zo veel mogelijk pijn uit te lokken.

Lasègue: het gestrekte been optillen

Wat gebeurt er? Je ligt op je rug. De onderzoeker tilt je gestrekte been rustig op en vraagt waar je iets voelt. Het gaat om herkenbare uitstralende pijn in het been, niet alleen om rek achter in het bovenbeen.

Wat zegt dit? De bekende beenpijn tijdens deze beweging kan passen bij een gevoelige zenuwwortel of zenuw. De plaats van de pijn en de overige onderzoeksbevindingen bepalen hoeveel dat zegt. Geen pijn tijdens deze test sluit niet ieder zenuwwortelprobleem uit.

lasgue-straight-leg-raise--ischias

Gekruiste Lasègue

Wat gebeurt er? Je ligt op je rug en de onderzoeker tilt het gestrekte been op waar je normaal géén klachten hebt. Hij of zij vraagt of daardoor de bekende pijn in het andere, aangedane been ontstaat.

Wat zegt dit? Pijn in het aangedane been bij het heffen van het andere been kan de verdenking op een hernia met zenuwwortelirritatie versterken. Veel mensen met een werkelijk zenuwwortelprobleem hebben deze reactie echter niet. De test is dus vooral een aanvullende aanwijzing.

gekruiste_lasegue-ischias

Slump-test

Wat gebeurt er? Je zit en buigt onder begeleiding de rug en nek voorover. Daarna worden de knie gestrekt en de voet omhoog bewogen. De onderzoeker vraagt of jouw bekende beenpijn ontstaat en hoe die verandert als een deel van de houding wordt losgelaten.

Wat zegt dit? Een duidelijke verandering van herkenbare beenpijn kan wijzen op gevoeligheid van de onderzochte zenuw. Alleen rek of willekeurige pijn is minder veelzeggend. Ook deze test wordt niet los van het overige onderzoek gebruikt.

Omgekeerde zenuwrekproef voor de voorzijde van het bovenbeen

Wat gebeurt er? Je ligt op je buik. De onderzoeker buigt je knie gecontroleerd en vraagt of de bekende pijn aan de voorzijde van je bovenbeen wordt opgeroepen.

Wat zegt dit? Deze test richt zich op andere zenuwwortels dan de gebruikelijke ischiasuitstraling langs de achterzijde van het been. Herkenbare pijn kan aanleiding zijn om de hogere zenuwwortels of de dijbeenzenuw te onderzoeken. Ook een spier, pees of heup kan bij deze beweging pijn doen; de pijnplek en het verdere onderzoek helpen dat onderscheiden.

4.3 Welke tests helpen bij bil, heup, pees en bekken?

Pijn uit de bil, heup of een pees vraagt ander onderzoek dan alleen testen van de zenuwwortels. De onderzoeker vergelijkt de precieze pijnplek, de bewegingen die pijn doen en wat er bij druk of aanspannen gebeurt.

Er is ook onderzoek naar twee specifieke piriformistests. In een studie onder 33 mensen die voor een kijkoperatie waren geselecteerd bleken 23 mensen een beknelling van de grote beenzenuw in de diepe bilregio te hebben. De actieve test herkende ongeveer 18 van deze 23 mensen; de zittende rekproef ongeveer 12. Met beide tests samen werden ongeveer 21 van de 23 herkend.

Bij 2 van de 10 mensen zonder beknelling gaf de combinatie ook een positieve uitslag. De tests kunnen dus helpen bij het onderzoek, maar een pijnlijke reactie is niet hetzelfde als een vastgestelde beknelling. Hieronder staat hoe ze worden uitgevoerd.

Beweging en pijn van de heup

Wat gebeurt er? De onderzoeker laat je de heup bewegen en beweegt deze ook zelf, onder meer naar binnen en buiten. Daarbij vraagt hij of zij waar je pijn voelt.

Wat zegt dit? Herkenbare liespijn en een beperkte heupbeweging maken een heupprobleem aannemelijker. Gaat de heup soepel en zonder de bekende pijn, dan wordt een heupprobleem minder aannemelijk als verklaring voor die pijn. Rug- en heupklachten kunnen naast elkaar voorkomen; de onderzoeker vergelijkt daarom ook de andere bevindingen.

Onderzoek van pijnlijke pezen

Wat gebeurt er? De onderzoeker zoekt de precieze pijnplek en laat je de betreffende pees belasten. Bij de hamstring kan dat bijvoorbeeld door de knie tegen weerstand te buigen; bij een pees aan de buitenzijde van de heup door de bilspieren te gebruiken.

Wat zegt dit? Pijn op dezelfde plek bij het belasten van juist die pees maakt een peesprobleem waarschijnlijker. Past de pijnplek of de reactie niet, dan wordt naar andere verklaringen gekeken. De test laat niet zien of er een ontsteking in de pees zit.

Onderzoek van spieren en triggerpoints

Wat gebeurt er? De behandelaar voelt aan bepaalde rug-, bil- of beenspieren en onderzoekt hoe je die gebruikt. Daarbij vergelijkt hij of zij de pijn bij druk of bewegen met jouw gewone klachten.

Wat zegt dit? Voel je bij druk op een bilspier precies de pijn die je herkent in je been? Dan kan die spier bijdragen. Verandert dezelfde klacht na behandeling van die spier, dan is dat een extra aanwijzing dat juist die spier pijn geeft. Alleen een gevoelige plek, of je even prettiger voelen na een algemene massage, zegt minder over de bron van je beenpijn.

In hoofdstuk 6.4 lees je welke spieren en uitstralingspatronen relevant zijn. Deze uitleg volgt de klinische beschrijvingen in het Handboek triggerpoint-therapie.

SI-provocatietests

Wat gebeurt er? De onderzoeker oefent op verschillende manieren druk uit op het bekken. Daarbij wordt gevraagd of jouw bekende pijn rond het gewricht tussen bekken en heiligbeen, het SI-gewricht, ontstaat.

Wat zegt dit? Meerdere herkenbare reacties kunnen een bijdrage van dit gewricht aannemelijker maken. Eén pijnlijke test bewijst niet dat je bekken scheef staat of dat een zenuw bekneld is. De onderzoeker vergelijkt de uitkomsten met de heup, rug en omliggende spieren.

Actieve piriformistest

Wat gebeurt er? Je ligt op je zij en duwt je hiel in de onderzoekstafel. Tegelijk beweeg je je bovenbeen zijwaarts en draai je het naar buiten tegen de weerstand van de onderzoeker. Die voelt ter hoogte van de piriformis en vraagt of je bekende pijn ontstaat.

ischias_onderzoek


Wat zegt dit? De herkenbare bil- of beenpijn bij deze beweging geeft een aanwijzing dat het probleem in de diepe bilregio kan zitten. Spieren, pezen en zenuwen liggen hier dicht bij elkaar. Daarom vergelijkt de onderzoeker deze reactie met de overige bevindingen en eventueel de zittende rekproef.

Zittende piriformisrekproef

Wat gebeurt er? Je zit met een gebogen heup. De onderzoeker strekt je knie, beweegt je bovenbeen naar binnen en draait de heup naar binnen. Tegelijk voelt hij of zij in de diepe bilregio en vraagt naar herkenbare pijn.

zittende-piriformisrekproef-ischias-


Wat zegt dit? Herkenbare pijn kan een aanwijzing zijn dat de klachten uit deze bilregio komen. De test wordt samen met de actieve piriformistest, het onderzoek van de zenuwen en de beoordeling van andere oorzaken gebruikt. Een negatieve test sluit een probleem daar niet zelfstandig uit.

4.4 Wanneer hebben MRI en zenuwonderzoek meerwaarde?

Een MRI laat vooral zien hoe bijvoorbeeld de tussenwervelschijven en de omgeving van de zenuwwortels eruitzien. Zenuwonderzoek laat zien hoe bepaalde zenuwen en spieren werken. Het zijn dus verschillende onderzoeken.

De arts kiest aanvullend onderzoek wanneer het klachtenverhaal en het lichamelijk onderzoek nog een belangrijke vraag openlaten, of wanneer een ingreep wordt overwogen. De arts vergelijkt de uitslag met de plek en kant van je klachten en met wat het lichamelijk onderzoek laat zien.

MRI

Wat gebeurt er? Een MRI maakt beelden van onder meer de tussenwervelschijven, het wervelkanaal en de zenuwwortels. Daarmee kan de arts bijvoorbeeld kijken of een hernia op de zenuwwortel drukt die bij jouw beenklachten past.

Wat zegt dit? Een afwijking aan de juiste kant en op het passende niveau maakt die verklaring sterker. Een hernia links verklaart pijn rechts bijvoorbeeld minder goed. Ook mensen zonder pijn hebben geregeld afwijkingen op een scan.

Bij ongecompliceerde, kort bestaande klachten is niet altijd meteen een MRI nodig. Bij ernstige uitval, een andere belangrijke verdenking of de afweging van een operatie kan dat anders zijn. In hoofdstuk 4.6 lees je wat een normale of afwijkende scan voor jouw klachten betekent.

Naald-EMG

Wat gebeurt er? Met een dunne naald meet de onderzoeker de elektrische activiteit in enkele spieren. Zo kan worden onderzocht of een zenuw deze spieren minder goed aanstuurt, en of het probleem bij een zenuwwortel of verderop langs een zenuw zit.

naald-emg-ischias-onderzoek


Wat zegt dit? Afwijkingen in spieren die bij dezelfde zenuwwortel horen, kunnen bevestigen dat die zenuwwortel minder goed werkt. De gekozen spieren en het moment van onderzoeken zijn daarbij belangrijk.

Een normaal naald-EMG sluit pijn uit een zenuwwortel niet uit. Het onderzoek meet niet alle soorten zenuwvezels en niet de pijn zelf. De uitleg voor artsen van de Amerikaanse revalidatieartsenorganisatie AAPM&R beschrijft waarvoor deze metingen gebruikt worden.

Zenuwgeleidingsonderzoek: ENG of NCS

Wat gebeurt er? Elektroden op de huid meten hoe een zenuw op kleine elektrische prikkels reageert. De onderzoeker kijkt hoe goed signalen worden doorgegeven.

zenuwgeleidingsonderzoek-ischias

Wat zegt dit? De meting kan helpen bij het vaststellen van een probleem in een zenuw verderop in het been, of in meerdere zenuwen zoals bij polyneuropathie. Bij een zenuwwortelprobleem kan de geleiding in de gevoelszenuwen normaal zijn.

Zenuwgeleidingsonderzoek en naald-EMG vullen elkaar aan. Geen van beide brengt alle mogelijke oorzaken van pijn in beeld; een aandoening van kleine zenuwvezels vraagt zo nodig ander onderzoek.

4.5 Wanneer zijn andere gerichte onderzoeken nodig?

Soms wijzen je klachten eerder op een bot, pees, bloedvat of een aandoening die meerdere zenuwen beïnvloedt. Dan kiest de arts onderzoek dat die specifieke vraag kan beantwoorden. Onderstaande onderzoeken zijn geen standaardpakket voor iedereen met ischiasachtige pijn.

Röntgenfoto

Wat gebeurt er? Een röntgenfoto brengt vooral bot in beeld. De arts kan daarmee bijvoorbeeld kijken naar een breuk of een verschoven wervel. Bij een vraag over de stand tijdens belasting wordt soms een staande foto gemaakt.

Wat zegt dit? Een actuele breuk op de plek van de klachten kan veel verklaren. Een verschoven wervel vraagt vergelijking met het verdere onderzoek. Een gewone röntgenfoto toont niet goed hoe een zenuwwortel of tussenwervelschijf eruitziet.

CT-scan

Wat gebeurt er? Een CT maakt dwarsdoorsnedebeelden van het lichaam. Dit kan nuttig zijn wanneer de arts extra botdetail nodig heeft of een MRI niet mogelijk is.

Wat zegt dit? Een CT kan bijvoorbeeld een breuk duidelijker laten zien. Voor andere vragen, zoals bepaalde veranderingen rond zenuwwortels, kan een MRI geschikter zijn. Een CT is daarom geen automatische aanvulling op iedere MRI.

Gericht bloedonderzoek

Wat gebeurt er? Bij een gerichte verdenking laat de arts bepaalde bloedwaarden meten. Dat kan bijvoorbeeld gaan om aanwijzingen voor een infectie of om een mogelijke oorzaak van klachten aan meerdere zenuwen.

Wat zegt dit? Afwijkende waarden helpen het vervolgonderzoek bepalen. Ze worden samen met de klachten beoordeeld; één normale bloedwaarde sluit niet iedere aandoening uit. Er bestaat geen bloedtest die ischias of een ontregeld zenuwstelsel als geheel vaststelt.

Enkel-arm-index: onderzoek van de bloedtoevoer

Wat gebeurt er? De arts vergelijkt de bloeddruk bij je enkel en je arm en onderzoekt de bloedvaten. Dit helpt bij de vraag of beenpijn tijdens lopen komt door te weinig bloedtoevoer.

Wat zegt dit? Een afwijkende verhouding kan wijzen op een probleem met de bloedtoevoer. Soms is extra onderzoek nodig, bijvoorbeeld als de klachten vooral tijdens inspanning ontstaan. Een plots koud, bleek en pijnlijk been vraagt directe medische beoordeling; wacht dan niet op een gewone onderzoeksafspraak.

Onderzoek naar trombose

Wat gebeurt er? Bij een nieuw dik, warm of pijnlijk been beoordeelt de arts of trombose mogelijk is. Afhankelijk van die beoordeling volgt een bloedtest of een echo van de aderen.

Wat zegt dit? Een aangetoond stolsel vraagt behandeling van de trombose. Bij een negatieve test bepaalt de arts of de verdenking voldoende is weggenomen of dat vervolgonderzoek nodig is. Dit onderzoek gaat over bloedvaten, niet over een beknelde zenuw.

Echo van een pees of andere plaatselijke structuur

Wat gebeurt er? De onderzoeker bekijkt met echografie een specifieke pees of andere plaatselijke structuur, bijvoorbeeld bij pijn aan de buitenzijde van de heup.

Wat zegt dit? Een peesafwijking op de echo past beter bij je klachten als diezelfde plek ook bij bewegen of onderzoek pijn doet. Een veranderde pees op de echo hoeft niet de oorzaak van alle beenpijn te zijn. De onderzoeker vergelijkt daarom wat op de echo zichtbaar is met jouw herkenbare klachten.

4.6 Wat betekenen de onderzoeksuitslagen voor de oorzaak van je klachten?

De belangrijkste vraag is niet alleen óf er iets is gevonden, maar of dat jouw klachten goed verklaart. Een uitslag krijgt betekenis door de combinatie met de pijnplek, het lichamelijk onderzoek en het verloop. Je kunt daarbij vier situaties onderscheiden.

Er is iets gevonden dat goed past. Je hebt bijvoorbeeld pijn in één been, minder gevoel of kracht in een daarbij passend gebied en een hernia die aan dezelfde kant op de betrokken zenuwwortel drukt. Dan is de hernia een overtuigende verklaring voor die klachten. Ook zonder aantoonbare uitval kunnen je klachten en het lichamelijk onderzoek passen bij pijn uit een zenuwwortel. Je hoeft dus niet altijd op een afwijkende scan te wachten voordat behandeling mogelijk is.

De bevinding verklaart een deel, maar niet alles. Een hernia kan bijvoorbeeld de uitstralende pijn in één been verklaren, maar niet vanzelf ook klachten op heel andere plaatsen. Bespreek welk deel goed past en welk deel apart moet worden onderzocht. Hoofdstuk 6.3 legt uit hoe je bij aanhoudende klachten opnieuw naar het geheel kijkt.

Er is geen passende afwijking gevonden. Of er is wel een afwijking, maar aan de verkeerde kant of op een plek die niet bij je klachten past. Dan is er weinig reden om juist die scanbevinding als oorzaak te blijven behandelen. De arts vergelijkt andere verklaringen, zoals een spier, heup of zenuw buiten de rug. Ook een ontregeld zenuwstelsel kan de pijn verklaren wanneer daar positieve aanwijzingen voor zijn.

De beoordeling is nog niet compleet. Als bijvoorbeeld nog niet is onderzocht waarom je voet duidelijk zwakker is geworden, kun je uit een eerdere normale rugscan niet afleiden dat alles is uitgesloten. Bespreek welke vraag nog openstaat en welk gericht onderzoek de aanpak kan veranderen.

Hoe vaak zien we afwijkingen zonder pijn? In een analyse van 33 onderzoeken met 3.110 mensen zonder klachten kwamen veranderingen van de tussenwervelschijven vaak voor. De onderzoekers schatten dat zulke slijtageveranderingen zichtbaar zijn bij ongeveer 37 van de 100 twintigjarigen en 96 van de 100 tachtigjarigen. Dat zijn veranderingen van de tussenwervelschijven, niet allemaal hernia's die een zenuw beknellen.

De conclusie is duidelijk: een scanbevinding kan belangrijk zijn, maar de foto alleen vertelt niet wat pijn doet. Het gaat erom of de afwijking, jouw klachten en het lichamelijk onderzoek bij elkaar passen.

Wanneer kijk je naar een ontregeld zenuwstelsel? Bijvoorbeeld als pijn sterk wisselt bij ongeveer dezelfde belasting, steeds verandert door stress of ontspanning, of al ontstaat wanneer je een beweging verwacht. Komen meerdere van die kenmerken samen en past een andere medische verklaring minder goed, dan kan een ontregeld zenuwstelsel de meest waarschijnlijke verklaring zijn. In hoofdstuk 8.2 lees je welke aanwijzingen daarbij horen.

De gratis Ischias Test helpt je deze kenmerken te herkennen. De score loopt van 0 tot 15; de groepen 0–4, 5–7 en 8–15 geven aan hoeveel kenmerken je herkent. Het zijn geen percentages waarmee je kunt uitrekenen wat de oorzaak is. De test vervangt geen medisch onderzoek en beoordeelt geen alarmsignalen.


5. Welke behandelingen en dagelijkse keuzes kunnen helpen?

De beste aanpak hangt af van wat je beenpijn veroorzaakt. Een hernia met passende zenuwwortelklachten vraagt een andere afweging dan een pijnlijke pees, een spierprobleem of een ontregeld zenuwstelsel.

Dit hoofdstuk bespreekt behandelingen bij zenuwwortelklachten en praktische keuzes voor bewegen, werk en slaap. De aanpak van triggerpoints staat in hoofdstuk 6.4; de uitleg over een ontregeld zenuwstelsel in hoofdstuk 8.

5.1 Welke reguliere behandelingen worden wanneer gebruikt?

Bij een rughernia begint de behandeling meestal zonder operatie: uitleg, zo veel mogelijk blijven bewegen binnen je mogelijkheden en zo nodig pijnmedicatie. Fysiotherapie kan helpen wanneer het niet lukt om dagelijkse activiteiten weer op te pakken.

Bij aanhoudend ernstige pijn kan een specialist een injectie of operatie bespreken. Wat je daarvan kunt verwachten, verschilt per behandeling en per situatie. Hieronder staan de belangrijkste resultaten en afwegingen.

Pijnmedicatie en pregabaline

Pijnstillers kunnen helpen om ondanks de pijn te bewegen of te slapen. De arts kiest het middel samen met jou en let op bijwerkingen, andere aandoeningen en medicijnen die je al gebruikt. Ontstekingsremmende pijnstillers zijn bijvoorbeeld niet voor iedereen geschikt. Sterke opioïden zijn geen standaardoplossing voor langdurig gebruik.

Pregabaline gaf bij ischias geen duidelijk betere pijnverlichting dan een placebo. In een onderzoek onder 209 deelnemers was de gemiddelde beenpijn na acht weken 3,7 bij pregabaline tegenover 3,1 bij placebo, op een schaal van 0 tot 10. Ook na een jaar was er geen duidelijk voordeel. De cijfers staan ook uitgewerkt in de Nederlandse richtlijn over medicijnen bij ischias.

Er werden juist meer bijwerkingen gemeld: 227 bij pregabaline tegenover 124 bij placebo. Eén deelnemer kon meerdere bijwerkingen melden. Deze uitkomst ondersteunt dus geen standaardgebruik van pregabaline voor ischias; bij andere zenuwaandoeningen kan de afweging anders zijn.

Stop of verander voorgeschreven medicatie niet zelf. Bespreek met je arts of apotheker of het middel helpt en hoe je het zo nodig afbouwt. Alcohol kan de versuffende werking van pregabaline versterken; zie de medicijninformatie van Apotheek.nl.

Epidurale injectie

Een epidurale injectie kan tijdelijk verlichting geven, maar het gemiddelde extra effect is beperkt. In de onderzoeken die de Nederlandse richtlijn over epidurale injecties samenvat, was de pijn na één maand gemiddeld ongeveer 1 punt op een schaal van 0 tot 10 méér afgenomen dan na een placebo-injectie. Bij de metingen na drie maanden was gemiddeld vrijwel geen extra pijnvermindering gevonden.

Een specialist kan deze behandeling overwegen bij kort bestaande zenuwwortelklachten met ernstige pijn ondanks passende pijnmedicatie. Via een naald wordt een ontstekingsremmer rond de zenuwwortel of in de ruimte eromheen toegediend. De specialist gebruikt röntgendoorlichting om de plaats van de naald te controleren.

Mogelijke nadelen zijn tijdelijke toename van rug- of beenpijn en hoofdpijn. Bespreek welk resultaat voor jou haalbaar is en welke risico's er zijn. De injectie is bedoeld voor pijnverlichting; het is geen garantie dat de klachten wegblijven of dat een operatie niet meer nodig zal zijn.

Operatie bij een passende rughernia

Bij een hernia die goed bij de klachten past, kan een operatie sneller verlichting geven. De chirurg verwijdert het deel van de tussenwervelschijf dat op de zenuwwortel drukt. Dit heet een discectomie. Je klachten, het lichamelijk onderzoek en de MRI moeten bij die hernia passen; alleen een hernia op een scan is niet genoeg.

In een Nederlands onderzoek onder 283 mensen met ernstige herniaklachten sinds zes tot twaalf weken werden twee aanpakken vergeleken: vroeg opereren of langer behandelen zonder operatie, met de mogelijkheid om later alsnog te opereren.

Gerekend vanaf de loting voelde de helft van de vroege-operatiegroep zich binnen ongeveer vier weken volledig of vrijwel volledig hersteld. Bij eerst afwachten was dat ongeveer twaalf weken. Het grootste verschil zat dus in de snelheid van herstel. Na een jaar waren de uitkomsten van beide aanpakken vergelijkbaar. Binnen twee jaar was 44% van de afwachtgroep alsnog geopereerd; 56 van de 100 hadden in die periode geen operatie ondergaan.

Ook bij langer bestaande klachten kan een operatie helpen. In een onderzoek onder 128 mensen met een passende rughernia en vier tot twaalf maanden ischias hadden de geopereerde deelnemers na zes maanden gemiddeld minder beenpijn dan deelnemers die niet-operatieve zorg kregen. Dat maakt duidelijk dat de klachtduur alleen niet bepaalt of een hernia nog behandelbaar is.

De keuze gaat over de verwachte verlichting, de snelheid van herstel en de nadelen. Mogelijke operatierisico's zijn een bloeding, een wondinfectie, lekkage van hersenvocht door beschadiging van het vlies rond de zenuwen en nieuwe zwakte of gevoelsverlies. De uitleg van Thuisarts over een herniaoperatie beschrijft de ingreep en risico's.

Blijven klachten bestaan of keren ze terug, dan wordt opnieuw gekeken wat ze verklaart. In hoofdstuk 6.2 lees je wanneer herbeoordeling nodig is. Bij snel toenemende uitval of de alarmsignalen uit hoofdstuk 2.3 is directe medische beoordeling nodig.

Wil je meer begrijpen van pijn die blijft bestaan en de mogelijke rol van een ontregeld zenuwstelsel?

Gratis e-book

Download het gratis e-book van BreinMedicijn.

5.2 Welke bewegingen en oefeningen zijn verstandig?

Blijven bewegen is meestal zinvoller dan langdurig in bed blijven. Welke activiteit nu lukt, hangt af van je klachten en wat bij het onderzoek is gevonden. Begin met dagelijkse handelingen die haalbaar zijn en bespreek begeleiding als je vastloopt.

Het doel is niet een perfecte oefening vinden, maar weer beter kunnen lopen, opstaan, werken of sporten. De richtlijn over fysiotherapie bij zenuwwortelklachten legt de nadruk op functioneren en het omgaan met bewegingsangst en inactiviteit.


Wandelen en actief blijven

Kies een hoeveelheid wandelen die je op dit moment kunt uitvoeren. Is de wandeling naar de winkel te veel? Probeer een kortere route of verdeel het lopen over de dag. Afwisselen is vaak prettiger dan lang achter elkaar in dezelfde houding blijven.

Je hoeft niet iedere pijnscheut als nieuwe beschadiging te behandelen. Kijk vooral of je activiteiten geleidelijk beter lukken. Lukt hervatten steeds niet, bespreek dan welk doel je wilt bereiken en wat je daarbij belemmert.

Bij nieuwe duidelijke been- of voetzwakte is een andere stap nodig: bel de huisarts of huisartsenpost. De overige alarmsignalen staan in hoofdstuk 2.3.

Fietsen en sporten

Fietsen kan voor de één prettiger zijn dan lopen, terwijl het bij een ander juist pijn oproept. Begin bij wat uitvoerbaar is. Je kunt een rit verkorten, tussendoor rusten of tijdelijk voor een andere activiteit kiezen.

Wil je weer hardlopen of aan krachttraining doen? Bespreek de activiteit concreet met je behandelaar. Bij een squat kun je bijvoorbeeld bekijken of minder gewicht of een kleinere beweging beter lukt. Na een operatie volg je de afspraken van het behandelteam.

Deze aanpassingen zijn bedoeld om je sport weer haalbaar te maken. Eén pijnlijke beweging betekent niet dat die sport blijvend verboden is.

Oefeningen en rekken

Fysiotherapie kan helpen wanneer pijn, angst voor bewegen of weinig activiteit je herstel belemmert. De fysiotherapeut kiest oefeningen bij wat je weer wilt kunnen, zoals opstaan uit een stoel, traplopen of je werk hervatten.

Er is niet één oefening waarvan is aangetoond dat die voor alle ischiasklachten het beste werkt. Spreek daarom af wat je wilt verbeteren en kijk of dat daadwerkelijk vooruitgaat. Een oefening die niet lukt, kan worden aangepast in uitvoering of belasting.

Rekken mag niet worden verward met een zenuwtest. Een test zoals Lasègue is bedoeld voor onderzoek en niet om thuis krachtig te herhalen. Nieuwe spierzwakte of duidelijk toenemend gevoelsverlies hoort niet bij gewone trainingspijn en vraagt medische beoordeling.

5.3 Hoe ga je om met zitten, slapen en dagelijkse belasting?

Kleine aanpassingen kunnen je helpen om te werken, slapen en bewegen terwijl je klachten hebt. Kies wat het dagelijks leven makkelijker maakt. De vraag of een houding of activiteit de klachten heeft veroorzaakt, bespreken we apart in hoofdstuk 7.

Zitten, autorijden en werken

Wissel zitten waar mogelijk af met staan of lopen. Op het werk kun je bijvoorbeeld een zittende taak onderbreken met een lopende taak of tijdelijk minder lang achter elkaar dezelfde handeling uitvoeren. De bedrijfsarts kan helpen bij passende werkaanpassingen.

Plan tijdens een autorit zo nodig een pauze op een veilige plek. Rijd niet als pijn, krachtsverlies of versuffende medicijnen maken dat je het voertuig niet veilig kunt bedienen.

Een stoel of houding die prettiger voelt is nuttig, ook zonder dat de oude houding daarmee de oorzaak van je klachten was. Kies comfort en afwisseling in plaats van steeds één perfecte houding te proberen vast te houden.

Slapen en liggen

Kies een houding waarin je zo goed mogelijk kunt rusten. Sommige mensen liggen prettig op de rug met steun onder de knieën; anderen op de zij met licht gebogen knieën. Een kussen of van houding wisselen kun je voor comfort proberen.

Een nieuw matras maakt niet automatisch een zenuw vrij. Het doel is beter slapen, niet een vermeende afwijking zelf corrigeren. Bespreek aanhoudende slaapverstoring, zeker wanneer de klachten duidelijk veranderen.

Tillen, bukken en taken verdelen

Maak zware taken tijdelijk kleiner als ze nu moeilijk lukken. Verdeel boodschappen over meerdere tassen, doe een klus in delen of vraag iemand mee te helpen. Bespreek bij terugkerende problemen welke handeling, welk gewicht of welke beweging lastig is.

Dat je voorzichtig bent omdat iets pijn doet, betekent niet dat de beweging je rug beschadigt. De passende opbouw hangt af van wat je kunt en van eventuele medische beperkingen. De rol van zwaar werk bij het ontstaan van klachten staat in hoofdstuk 7.

5.4 Welke behandelingen vragen tijdens zwangerschap extra aandacht?

Bespreek pijnstillers en andere behandelingen tijdens de zwangerschap met je verloskundige of arts. Wat voor niet-zwangere volwassenen gebruikelijk is, is niet automatisch voor jou geschikt.

Bij vastgestelde bekkenpijn kan het bijvoorbeeld prettiger zijn om zittend aan te kleden, je benen bij elkaar te houden bij het in- en uitstappen en in bed een kussen tussen je benen te leggen. Dit zijn adviezen uit de patiënteninformatie over bekkenpijn tijdens zwangerschap, geen behandeling voor iedere vorm van zenuwwortelpijn.

Kun je door de pijn nauwelijks of niet meer lopen? Neem contact op met je verloskundige of arts om passende hulp te bespreken. Bij bekkenpijn kunnen bijvoorbeeld tijdelijke loophulpmiddelen worden overwogen. Hoofdstuk 3.5 bespreekt welke verklaringen tijdens zwangerschap worden onderzocht.

Bij nieuwe duidelijke beenzwakte, gevoelsverlies rond anus of geslachtsdelen of nieuwe problemen met plassen of ontlasting blijft directe medische beoordeling nodig.

6. Hoelang duurt ischias en wat als klachten blijven of terugkomen?

Veel herniaklachten verbeteren binnen weken tot maanden, maar ischias is een brede klachtennaam. Het herstel hangt af van de oorzaak en wat er met je gevoel, kracht en dagelijks functioneren gebeurt.

Gaat lopen weer makkelijker en neemt de beenpijn af? Dat is iets anders dan klachten die gelijk blijven, na een goede periode terugkomen of op een andere plek verschijnen. Dit hoofdstuk helpt bepalen wanneer je de verklaring en behandeling opnieuw moet bespreken.

6.1 Hoe vaak verbeteren ischiasklachten?

Bij een rughernia is de beenpijn volgens Thuisarts bij ongeveer 3 van de 4 mensen binnen drie maanden over. Rugpijn kan langer aanwezig blijven. Dit gaat over herniaklachten, niet over iedere mogelijke oorzaak van uitstralende beenpijn.

Onderzoek bij een bredere groep laat een ander deel van het verloop zien. De ATLAS-studie volgde 609 mensen die in de eerste lijn kwamen met ruggerelateerde beenpijn; bij 452 werd ischias vastgesteld op basis van klachten en lichamelijk onderzoek. Er waren zowel mensen met kort als langer bestaande klachten.

Na twaalf maanden waren gegevens beschikbaar van 450 deelnemers. Ongeveer 55 van de 100 hadden minstens 30% minder beperkingen bij dagelijkse activiteiten. Dat gaat dus om beter functioneren, niet om het aantal mensen dat helemaal pijnvrij was.

De belangrijkste vraag bij jouw herstel is of je vooruitgaat: kun je meer lopen, slapen en werken, en hoe ontwikkelen gevoel en kracht zich? Bij weinig vooruitgang is opnieuw bespreken wat er speelt nuttiger dan blijven wachten op één vaste hersteltermijn.

6.2 Wat als klachten niet verbeteren, terugkomen of veranderen?

Blijf je veel pijn houden ondanks de afgesproken pijnstilling, of lukt je werk of huishouden na enkele weken nog nauwelijks? Maak dan een afspraak met je huisarts. Neem eerder contact op bij duidelijke verslechtering of onbeheersbare pijn. Bij nieuwe of toenemende duidelijke been- of voetzwakte bel je direct.

Vertel of de klachten nooit zijn verbeterd, na een goede periode terugkwamen of nu anders zijn. Waar zit de pijn? Wat lukt minder goed? Is het gevoel of de kracht veranderd? Deze informatie helpt om de huidige klachten met de eerdere diagnose te vergelijken.

Ook na een operatie kunnen een zenuwwortel, een andere zenuw of spieren nog klachten geven. De oude diagnose verklaart niet automatisch iedere nieuwe klacht. In het artikel over aanhoudende ischiasklachten lees je meer over blijvende en terugkerende klachten.

Nieuwe klachten na een kunstheup: neem bij nieuwe of toenemende heuppijn of minder beweeglijkheid op werkdagen contact op met de arts in het ziekenhuis. Bij wondproblemen of koorts in de eerste drie maanden hoort dezelfde dag contact. Volg ook je eigen ontslaginstructies. Dit staat uitgelegd in de informatie van Thuisarts na een kunstheup.

Nieuwe klachten na een ruggenprik: neem bij nieuw verlies van gevoel of kracht in de benen, problemen met plassen of nieuwe hevige pijn rond de prikplek direct contact op met het ziekenhuis of de huisartsenpost. Vertel dat je een ruggenprik hebt gehad. De nazorginformatie van The Dudley Group NHS beschrijft deze signalen.

Blijft de verklaring onzeker, kijk dan niet alleen naar de oude scan. Ook de spieren en veranderingen van klachten door activiteit, stress of ontspanning verdienen aandacht. Hoofdstuk 6.3 bespreekt hoe je die informatie samenbrengt.

Wat leer je van verbetering na een behandeling?

Een behandeling geeft de meeste informatie wanneer juist de bedoelde klacht verandert. Stel dat opstaan uit een stoel steeds dezelfde bil- en beenpijn geeft. Je behandelaar onderzoekt een bepaalde bilspier en behandelt die gericht. Wordt precies het opstaan daarna makkelijker, en gebeurt dat bij herhaling? Dan geeft dat meer aanwijzingen voor een spierbijdrage dan alleen algemene ontspanning na een massage.

Toch kan een behandeling om meerdere redenen helpen. Ook het natuurlijke verloop en andere gelijktijdige behandelingen tellen mee. Daarom kijk je naar de verandering én naar wat het eerdere onderzoek liet zien.

Vergelijkend onderzoek helpt beoordelen hoeveel extra voordeel een behandeling geeft. Hara en collega's onderzochten 50 mensen met langdurige zenuwpijn na een rugoperatie. Een specifieke vorm van ruggenmergstimulatie werd vergeleken met perioden zonder actieve stimulatie. Het verschil in beperkingen was gemiddeld slechts 1,3 punt op een schaal van 100. Voor deze stimulatievorm werd geen duidelijk extra voordeel aangetoond.

Een klein onderzoek van Donnino en collega's keek naar een behandelprogramma gericht op het brein en zenuwstelsel bij 35 mensen met langdurige rugpijn. Na 26 weken konden deelnemers in die groep hun dagelijkse activiteiten beter uitvoeren dan deelnemers met mindfulness of gebruikelijke zorg. Mensen met een probleem van de tussenwervelschijf én uitval door een zenuwprobleem deden niet mee.

Deze onderzoeken beantwoorden verschillende behandelvragen. Voor jouw situatie blijft belangrijk: wat was het doel, hoeveel verbeterde je en hield dat aan? Geen effect is een reden om de aanpak opnieuw te beoordelen, niet om automatisch een andere diagnose vast te stellen.

6.3 Hoe beoordeel je opnieuw wat de huidige klachten verklaart?

Wat de klachten ooit uitlokte, hoeft niet hetzelfde te zijn als wat ze nu laat voortduren. Maar een eerdere hernia of zenuwaandoening wordt ook niet onbelangrijk alleen omdat er tijd is verstreken.

Begin bij de klachten van nu. Zit de pijn nog op dezelfde plek? Zijn gevoel, kracht of reflexen veranderd? Past het verloop bij de eerder gevonden afwijking? Een hernia die nog steeds dezelfde beenpijn en uitval verklaart, blijft van belang voor de behandelkeuze.

Past de aandoening maar bij een deel? Dan moet het andere deel afzonderlijk worden bekeken. Je kunt bijvoorbeeld een aantoonbaar zenuwprobleem in één been hebben, terwijl pijn op andere plaatsen of sterk wisselende klachten daarmee niet goed worden verklaard. Een behandelaar hoort duidelijk te kunnen uitleggen wat wel en niet bij de bevinding past.

Een onderzoek van spieren kan dan aanvullende informatie geven. Ook een ontregeld zenuwstelsel is een mogelijkheid, vooral wanneer verschillende kenmerken samenkomen: klachten wisselen sterk bij vergelijkbare belasting, veranderen herhaaldelijk door ontspanning of afleiding of ontstaan al bij de verwachting van pijn.

Als een andere medische verklaring minder goed past en zulke positieve aanwijzingen samen een overtuigend beeld geven, kan het ontregelde zenuwstelsel de belangrijkste verklaring zijn. In hoofdstuk 8.2 lees je hoe deze patronen worden beoordeeld. De gratis Ischias Test helpt je nagaan welke kenmerken je herkent.

6.4 Kunnen triggerpoints en spierknopen uitstralende pijn geven?

Ja. Een pijnlijke spier in de rug, bil of het been kan pijn op een andere plek laten voelen. Daardoor kan spierpijn op ischias lijken. Met triggerpoints bedoelen we drukgevoelige plekken of knopen in spieren.

Het Handboek triggerpoint-therapie van Clair en Amber Davies beschrijft per spier welke pijngebieden in de praktijk worden gezien. Die beschrijvingen helpen bepalen welke spieren het onderzoeken waard zijn. Ze zijn geen kaart waarmee je zelf de oorzaak kunt vaststellen.

Een behandelaar vergelijkt de precieze spier, de beweging die lastig is en je bekende pijn. Druk op een bepaalde bilspier kan bijvoorbeeld dezelfde pijn oproepen als tijdens het opstaan. Wordt juist die klacht na behandeling minder, dan is dat een extra aanwijzing dat die spier aan de pijn bijdraagt. Bij de uitleg over behandelreacties lees je hoe je zo'n verandering beoordeelt.

Welke spier het is, maakt verschil. De middelste bilspier kan bijvoorbeeld pijn rond de broekriem, bil en heup geven. De kleine bilspier kan verder naar het been uitstralen. Hieronder staan de belangrijkste verschillen uit het handboek.

Er is ook behandelonderzoek naar piriformis- en diepe-bilklachten. Een overzicht van 22 studies met 862 behandelingen beschreef verbetering na verschillende ingrepen, maar levert geen betrouwbare rangorde op van wat bij iedere patiënt het beste werkt. Een passende keuze begint bij de vraag of spierpijn, een zenuwprobleem of iets anders wordt behandeld.

Keren gespannen spieren en klachten telkens terug, dan verdient ook dat aandacht. Samen met duidelijke invloed van stress, verwachting en ontspanning kan dit passen bij een ontregeld zenuwstelsel. Alleen het terugkeren van een spierknoop is daarvoor niet genoeg. Nieuwe duidelijke spierzwakte of gevoelsuitval blijft een reden voor zenuwonderzoek.

Gluteus minimus: de kleine bilspier

De kleine bilspier ligt diep in de bil. Triggerpoints in deze spier worden in het handboek beschreven bij pijn langs de buiten- of achterkant van het bovenbeen en onderbeen, soms tot bij de enkel. Dat kan sterk op ischias lijken.

Staan, lopen, opstaan of op de zij liggen kan lastig zijn. De behandelaar kijkt of druk op deze spier en het gebruik ervan jouw bekende pijn oproepen. Ook wordt vergeleken of een zenuwwortelprobleem beter past bij het gevoel en de kracht in het been.

Pijngebieden bij triggerpoints in de kleine bilspier, zoals beschreven in het handboek.

De kleine bilspier en de in het handboek beschreven pijngebieden.

Piriformis: de peervormige spier

De piriformis is een kleine spier diep in de bil. Volgens het handboek kunnen triggerpoints hierin pijn geven in de bil en rond de heup. Een behandelaar onderzoekt of juist deze spier gevoelig is en of aanspannen, bewegen of druk jouw bekende klachten oproept.

Pijn uit de spier en druk op de grote beenzenuw zijn twee verschillende verklaringen. Een gevoelige piriformis bewijst niet dat de zenuw klem zit. In hoofdstuk 3.2 lees je wanneer een probleem rond de grote beenzenuw wordt onderzocht. Meer verdieping vind je in het artikel over piriformis syndroom.

Quadratus lumborum: de vierkante lendenspier

De vierkante lendenspier ligt in de onderrug. Het handboek beschrijft pijn in de onderrug, bil, heup en rond het SI-gewricht. Omdraaien in bed, bewegen of hoesten kan de pijn oproepen.

Druk en beweging van deze spier kunnen helpen herkennen of zij bij jouw rug- of bilpijn betrokken is. Het beschreven pijngebied loopt niet vanzelf helemaal door tot in de voet. Bij zulke verdere klachten moet ook naar andere spieren en zenuwen worden gekeken.

Pijngebieden bij triggerpoints in de vierkante lendenspier.

De vierkante lendenspier en de in het handboek beschreven pijngebieden.

Tweede afbeelding van pijngebieden bij de vierkante lendenspier.

Een tweede afbeelding van pijngebieden bij de vierkante lendenspier.

Vastus lateralis: de buitenste dijspier

Deze spier ligt aan de buitenzijde van het bovenbeen. Het handboek koppelt triggerpoints eraan bij pijn aan de buitenzijde van bovenbeen en knie en soms rond de heup. Druk, bewegen of op de zij liggen kan hinder geven.

De behandelaar vergelijkt de pijn uit deze spier met een probleem in de heup, knie of een pees. Vooral een herkenbare pijnplek en dezelfde pijn bij gericht spieronderzoek helpen dat onderscheid maken.

Hamstrings: spieren aan de achterkant van het bovenbeen

De hamstrings zijn de spieren aan de achterkant van het bovenbeen. Ze helpen onder meer bij het buigen van de knie.

Aan de binnenzijde liggen de halfpezige en halfvliezige spier, de semitendinosus en semimembranosus. Het handboek beschrijft pijn rond de bilplooi, langs de achterzijde van het bovenbeen en richting de binnenkant van de knie.

Meer aan de buitenzijde ligt de biceps femoris. Daarbij wordt pijn aan de achter-buitenkant van het bovenbeen, achter de knie en soms boven in de kuit beschreven.

De behandelaar onderzoekt welke spier gevoelig is en wat aanspannen of druk doet. Pijn bij de bilplooi kan ook uit de hamstringpees komen. Bij tintelingen of minder gevoel wordt bovendien gekeken of een zenuw beter bij de klachten past. Een plotseling begin na een ongeval of sportmoment vraagt beoordeling op spier- of peesletsel.

Gluteus maximus: de grote bilspier

De grote bilspier helpt bij opstaan en het naar achteren bewegen van het been. Triggerpoints worden in het handboek vooral gekoppeld aan pijn in de bil, rond het stuitje, de bilplooi en het SI-gewricht.

Zitten of opstaan kan daarbij pijnlijk zijn. De uitstraling blijft in deze beschrijving betrekkelijk dicht bij de bil. Pijn helemaal tot in de voet vraagt daarom om een bredere vergelijking dan alleen deze spier.

Pijngebieden bij triggerpoints in de grote bilspier.

De grote bilspier en de in het handboek beschreven pijngebieden.

6.5 Wanneer kijk je naar een ontregeld zenuwstelsel?

Blijven de klachten bestaan terwijl een hernia of andere gevonden afwijking ze onvoldoende verklaart? Dan is het zinvol ook naar het zenuwstelsel zelf te kijken. Daarmee bedoelen we niet alleen of een zenuw beschadigd is, maar ook hoe het brein en zenuwstelsel pijn oproepen en in stand houden.

Een ontregeld zenuwstelsel wordt aannemelijker wanneer meerdere kenmerken samenkomen. Bijvoorbeeld: dezelfde beweging gaat in een ontspannen situatie goed, maar geeft op een ander moment veel pijn; de klachten beginnen al voordat de activiteit start; of aandacht, verwachting en stress hebben herhaaldelijk veel invloed. Terugkerende triggerpoints kunnen in dat geheel ook een plaats hebben.

Een normale scan alleen vertelt dat niet. Het gaat om de verklaring die bij jouw klachten, onderzoek en verloop het beste past. Hoofdstuk 8 legt dit uit.

Wil je begrijpen hoe een ontregeld zenuwstelsel klachten kan laten voortduren en wat je daaraan kunt doen? Bekijk de gratis online training van BreinMedicijn.

Online training oplossing voor chronische klachten


7. Komt ischias door werk, overbelasting of houding?

Zwaar werk, lang zitten, tillen of sporten kan invloed hebben op ischiasachtige klachten. Maar betekent pijn tijdens zo’n activiteit ook dat je je rug beschadigt of dat de activiteit de oorspronkelijke oorzaak is?

Veel belasten en langdurige klachten krijgen is geen vanzelfsprekende optelsom. Het helpt om vier vragen uit elkaar te houden:

  • Vergroot een bepaalde belasting de kans op een aandoening die beenpijn geeft, en hoe groot is dat risico?
  • Roept een activiteit klachten op die er al zijn?
  • Zijn er duidelijke aanwijzingen voor een hernia, vernauwing, zenuwprobleem of andere verklaring?
  • Wat houdt de klachten nu in stand, vooral wanneer ze maanden of jaren blijven bestaan?


7.1 Hoe groot is de rol van zware beroepsbelasting?

Jarenlang zwaar tillen, veel buigen en draaien kan de kans op klachten vanuit een zenuwwortel vergroten. Dat blijkt uit een analyse van 24 onderzoeken met samen 10.142 deelnemers. Het duidelijkste verband werd gevonden wanneer tillen samengaat met buigen of draaien.

De Duitse EPILIFT-studie onderzocht daarnaast de opgetelde belasting tijdens het werkzame leven. De onderzoekers vergeleken mensen met een vastgestelde aandoening van de tussenwervelschijf met mensen zonder die diagnose. Zij vonden eveneens een verband met zwaar tillen en belastende werkhoudingen. Een latere analyse van onderzoek naar hernia’s met zenuwwortelklachten ondersteunt deze rol van langdurige beroepsbelasting.

Deze onderzoeken maken zwaar werk dus relevant. Maar een verhoogd risico vertelt nog niet hoeveel mensen de aandoening werkelijk krijgen. Daarvoor zijn ook de aantallen en de onderzochte periode nodig.

Hoe groot waren de aantallen?

In de Copenhagen Male Study werden 3.833 werkende mannen zonder eerdere rugklachten of rugletsel gevolgd. Hun werkbelasting werd in 1970–1971 vastgelegd. Tussen 1977 en 2003 werden 64 mannen opgenomen in het ziekenhuis wegens een rughernia.

Dat is ongeveer 17 van de 1.000 mannen in die registratieperiode. Ongeveer 983 van de 1.000 kregen dus geen ziekenhuisopname om die reden.

Bij mannen die vaak zeer inspannend werk deden, lag het geschatte opnamerisico tijdens de jaren waarin zij werden gevolgd bijna vier keer zo hoog als bij mannen die dat zelden of nooit deden. Het gemiddelde van 17 per 1.000 betreft de hele groep; het is niet het afzonderlijke risico van de zwaarst belaste werknemers. Het onderzoek telde ziekenhuisopnames, niet alle hernia’s of alle perioden met beenpijn.

Wat betekent dit voor jouw klachten?

Zware beroepsbelasting kan het ontstaan van een deel van de zenuwwortelklachten bevorderen. Toch kreeg maar een klein deel van de mannen in dit onderzoek een ziekenhuisopname voor een hernia. Een verhoogd risico betekent dus niet dat iedereen met hetzelfde werk die uitkomst krijgt.

Je beroep alleen vertelt ook niet of een hernia jouw huidige beenpijn veroorzaakt. Daarvoor moeten de plek van de klachten, het verloop en het lichamelijk onderzoek bij die verklaring passen. In hoofdstuk 3 lees je welke aanwijzingen bij de verschillende oorzaken passen.

Ook wanneer werk bij het begin heeft meegespeeld, moet afzonderlijk worden bekeken waarom de pijn nu blijft bestaan.


7.2 Wat zegt pijn bij zitten, tillen en bewegen over de oorzaak?

Dat zitten, tillen of bewegen pijn oproept, betekent niet automatisch dat die activiteit de aandoening heeft veroorzaakt. Een gevoelige zenuw of spier kan reageren op een beweging die je vroeger probleemloos uitvoerde.

Voor zitten op zichzelf vond de analyse van werkbelasting geen overtuigend verhoogd risico op zenuwwortelklachten. Gewoon zitten aanwijzen als oorzaak van je ischias is op basis van dit onderzoek dus niet gerechtvaardigd. Jarenlang zwaar tillen en buigen is een andere belasting dan een autorit of één keer bukken.

Ook verlichting door een andere stoel, slaaphouding of een nieuw matras bewijst niet dat de oude situatie je zenuwen heeft beschadigd. Het vertelt vooral wat op dat moment prettiger is.

Bespreek concreet wat je merkt. Krijg je tijdens iedere autorit na ongeveer dezelfde tijd dezelfde pijn? Of kun je tijdens een ontspannen uitstapje veel langer zitten dan wanneer je gespannen naar je werk rijdt? Zulke verschillen helpen om te begrijpen wat je klachten beïnvloedt.

Een herhaald verband met stress, verwachting of ontspanning kan aanleiding zijn om ook een ontregeld zenuwstelsel te onderzoeken. In hoofdstuk 8.2 lees je welke combinatie van aanwijzingen daarbij past.

Praktische adviezen over zitten, autorijden, slapen en tillen vind je in hoofdstuk 5.3. Hier gaat het om de verklaring: pijn tijdens een activiteit en schade door die activiteit zijn twee verschillende dingen.

7.3 Wat als rust of minder belasting niet genoeg helpt?

Tijdelijk minder belasten kan nuttig zijn wanneer een gebied geïrriteerd is. Maar blijven de klachten bestaan terwijl je al weken of maanden minder tilt, vaker pauzeert of met het belastende werk bent gestopt? Dan is ‘ik doe nog steeds te veel’ geen voldoende verklaring voor het hele klachtenbeeld.

Kijk eerst opnieuw of de eerder vastgestelde aandoening de huidige klachten goed verklaart. Een hernia kan bijvoorbeeld nog steeds van belang zijn wanneer de beenpijn, het gevoel, de kracht en het onderzoek daarbij passen. In hoofdstuk 6.3 lees je hoe je opnieuw beoordeelt wat de klachten veroorzaakt.

Past die verklaring onvoldoende? Dan verdienen andere mogelijkheden aandacht. Triggerpoints in rug- of bilspieren kunnen herkenbare pijn naar het been laten uitstralen. Hoofdstuk 6.4 beschrijft welke spierpatronen daarbij passen.

Ook een ontregeld zenuwstelsel kan klachten veroorzaken of in stand houden. Denk aan pijn die al begint bij de verwachting van een activiteit, sterke verschillen bij ongeveer dezelfde belasting of een duidelijke invloed van stress, ontspanning en afleiding.

Wanneer zulke aanwijzingen samenkomen en geen andere medische verklaring beter past, kan een ontregeld zenuwstelsel de belangrijkste verklaring worden. De vraag is dan niet hoeveel rust je nog moet nemen, maar welke aanpak past bij wat de klachten nu veroorzaakt.

In hoofdstuk 8 lees je hoe een ontregeld zenuwstelsel werkt en welke aanpak daarbij past.

7.4 Zijn je rug en benen kwetsbaar voor gewoon gebruik?

Onze spieren, gewrichten en zenuwen zijn gemaakt om te bewegen, kracht te leveren en zich aan belasting aan te passen. Ze zijn niet onverwoestbaar: een ongeval, duidelijke zenuwbeknelling of langdurige zeer zware belasting kan lichamelijke problemen veroorzaken.

Maar het andere uiterste klopt evenmin. Veel bewegen, herhalen of een minder ideale werkhouding leidt niet vanzelf tot blijvende schade.

De vraag is daarom niet alleen of zwaar werk een risico kan vergroten. Het gaat ook om de veel verdergaande gedachte dat gewoon of veelvuldig gebruik van onze rug en benen gemakkelijk tot klachten leidt die maanden of jaren blijven bestaan.

Wat zouden we verwachten als belasting op zichzelf voldoende was?

Als veel of herhaald belasten op zichzelf voldoende zou zijn om langdurige ischiasachtige klachten te veroorzaken en in stand te houden — los van andere factoren en verschillen tussen mensen — zou je verwachten dat:

  • Langdurige belasting: mensen die jarenlang zwaar lichamelijk werk verrichten of steeds dezelfde bewegingen herhalen vrijwel allemaal langdurige klachten krijgen.
  • Houding en ergonomie: mensen die hun lichaam voortdurend ontzien en ergonomischer werken duidelijk minder langdurige klachten krijgen.
  • Rust en herstel: klachten na voldoende herstel en aanpassing van de belasting meestal verdwijnen, omdat de veronderstelde oorzaak is weggenomen.
  • Verschillende bevolkingsgroepen: langdurige rug-, bil- en beenklachten veel vaker voorkomen waar het dagelijkse lichamelijke werk structureel zwaarder is.
  • Vroegere samenlevingen: gemeenschappen waarin mensen bijna hun hele leven zwaar werk deden, zonder moderne hulpmiddelen of behandelingen, op grote schaal ontwricht zouden raken doordat zoveel mensen langdurig niet meer konden functioneren.

De historische en evolutionaire betekenis

Denk aan landbouw, bouwen, dragen en werken met handgereedschap. In vroegere samenlevingen was veel lichamelijke inspanning nodig om het dagelijks leven mogelijk te maken. Als veel gebruik op zichzelf gemakkelijk tot blijvende uitval zou leiden, zou juist dat noodzakelijke werk die samenlevingen op grote schaal hebben ondermijnd.

Dezelfde vraag kun je vanuit onze evolutionaire geschiedenis stellen. Het menselijk lichaam heeft zich ontwikkeld onder omstandigheden waarin bewegen en lichamelijke inspanning noodzakelijk waren. Het vermogen om te herstellen en zich aan belasting aan te passen past niet bij het idee dat gewoon gebruik ons lichaam vanzelf steeds verder beschadigt.

Dit is een redenering over het beeld van een kwetsbaar lichaam: hoe goed verklaart alleen ‘te veel doen’ dat zoveel uiteenlopende klachten blijven bestaan? Het is dezelfde soort vraag die John Sarno in zijn uitleg over aanhoudende pijn aan de orde stelt.

Wat betekent dit samen met het onderzoek?

Het werkonderzoek laat zien dat zware, langdurige belasting een risico kan vergroten. De historische en evolutionaire argumenten richten zich op een andere, veel sterkere bewering: dat veelvuldig gebruik op zichzelf vrijwel vanzelf langdurige klachten veroorzaakt.

Dat zijn niet dezelfde uitspraken. Je kunt een verhoogd risico serieus nemen zonder je rug of benen als kwetsbaar te behandelen bij iedere gewone beweging.

Alleen ‘te veel’, ‘verkeerd’ of ‘niet ergonomisch genoeg’ bewegen is geen overtuigende verklaring voor iedere langdurige pijnklacht. Bij ischiasachtige klachten is belangrijker of er werkelijk een hernia, vernauwing, zenuwprobleem of andere aandoening is die bij de klachten past.

Wanneer die aanwijzingen duidelijk zijn, hoort de behandeling daarop aan te sluiten. Verklaart de gevonden aandoening maar een deel, of past ze slecht bij het verloop? Dan heeft het weinig zin om jarenlang uitsluitend naar nog meer rust of de perfecte houding te blijven zoeken.

Kijk dan ook naar herkenbare spierpijn en naar positieve aanwijzingen voor een ontregeld zenuwstelsel. Als die laatste verklaring het klachtenbeeld het beste verklaart, verdient ze een gerichte aanpak.

Veel bewegen, werken of sporten is op zichzelf geen bewijs dat je zenuwen beschadigd raken. De behandeling moet passen bij wat je klachten werkelijk verklaart.

In hoofdstuk 8 lees je hoe een ontregeld zenuwstelsel klachten kan veroorzaken of in stand houden.

Wil je die uitleg rustig nalezen? In ons gratis e-book leggen we stap voor stap uit hoe een ontregeld zenuwstelsel bij aanhoudende klachten kan meespelen.

8. Wanneer wijzen ischiasachtige klachten op een ontregeld zenuwstelsel?

Een ontregeld zenuwstelsel kan ischiasachtige pijn veroorzaken of in stand houden. Dat wordt vooral relevant wanneer een hernia of andere gevonden aandoening het klachtenbeeld onvoldoende verklaart én er duidelijke aanwijzingen zijn in het verloop van de klachten.

Denk aan sterke wisselingen, pijn die al begint vóór een beweging of herhaalde veranderingen door stress, ontspanning en afleiding. Wanneer zulke kenmerken samenkomen en geen andere medische verklaring beter past, kan het ontregelde zenuwstelsel de meest waarschijnlijke oorzaak zijn.

Hieronder lees je wat daarmee wordt bedoeld, hoe je de aanwijzingen herkent en wat onderzoek naar behandeling laat zien.

8.1 Wat is een ontregeld zenuwstelsel en wat is TMS?

Pijn heeft een beschermende functie. Bij een verwonding kan pijn bijvoorbeeld waarschuwen dat er iets beschadigd is. Maar de hoeveelheid pijn laat niet één-op-één zien hoeveel schade er in het lichaam aanwezig is.

Het brein en zenuwstelsel verwerken niet alleen signalen uit het lichaam. Ook eerdere ervaringen, verwachtingen en de situatie waarin je je bevindt spelen mee bij de beoordeling of iets veilig of bedreigend is.

Bij langdurige klachten kan dit alarmsysteem te gevoelig worden. Pijn, tintelingen, een branderig gevoel of spierspanning kunnen dan blijven ontstaan, terwijl voortdurende schade of druk op een zenuw de klachten niet voldoende verklaart.

Met een ontregeld zenuwstelsel bedoelen we dat het brein en zenuwstelsel te snel of te sterk alarm slaan. De klachten zijn echt en ontstaan niet bewust.

Revalidatiearts John Sarno beschreef zijn verklaring voor zulke klachten als Tension Myositis Syndrome (TMS). Onder anderen Howard Schubiner, David Schechter en Alan Gordon werkten deze benadering verder uit. Pijnonderzoeker Lorimer Moseley legt uit hoe pijn ons tegen gevaar beschermt.

In medische teksten kom je ook termen tegen als nociplastische pijn, neuroplastische pijn en centrale sensitisatie. Die begrippen betekenen niet precies hetzelfde. Ze gaan wel over veranderingen in de manier waarop het zenuwstelsel signalen verwerkt. In dit artikel leggen we dat vooral uit met de term ontregeld zenuwstelsel.

De bouwvakker met de spijker door zijn schoen

Een in het medisch tijdschrift BMJ beschreven bouwvakker kreeg een spijker dwars door zijn schoen. Hij had hevige pijn en kreeg sterke pijnstilling. Toen de schoen werd verwijderd, bleek de spijker tussen zijn tenen door te zijn gegaan. Zijn voet was niet verwond.

De pijn was echt, maar de verwachte verwonding was er niet. Het voorbeeld laat zien hoe groot de invloed van waargenomen gevaar op pijn kan zijn.

Een spijker ging door de schoen van een bouwvakker, zonder de voet te verwonden.

De spijker ging door de schoen, maar had de voet niet verwond.

Het rubberen-armexperiment

Bij het rubberen-armexperiment wordt de echte hand uit het zicht gelegd en ligt een rubberen hand zichtbaar op tafel. Als beide tegelijk op dezelfde manier worden aangeraakt, kan het voelen alsof de rubberen hand bij het eigen lichaam hoort.

Een bedreiging van die rubberen hand kan vervolgens een echte schrik- of dreigingsreactie oproepen, terwijl de eigen hand niet wordt geraakt. Dit laat zien hoe waarneming invloed heeft op wat het brein probeert te beschermen.


Verwachting kan pijn veranderen

Pijn en schade zijn dus niet hetzelfde. Wat je verwacht en hoe bedreigend iets voelt, kan invloed hebben op wat je ervaart. Dat helpt begrijpen waarom een ontregeld zenuwstelsel klachten kan blijven oproepen, ook wanneer een beweging geen nieuwe schade veroorzaakt.

Wil je uitgebreider lezen hoe zo’n zenuwstelsel klachten kan veroorzaken en in stand houden? In ons gratis e-book leggen we dit stap voor stap uit.

8.2 Welke aanwijzingen passen bij een ontregeld zenuwstelsel?

Een ontregeld zenuwstelsel herken je niet alleen aan wat een scan níét laat zien. Je kijkt juist naar wat er wél gebeurt met de klachten. De klinische gids van Clarke, Schechter en Schubiner beschrijft patronen die daarbij kunnen helpen.

De aanwijzingen worden sterker wanneer verschillende kenmerken samenkomen:

  • De klachten wisselen sterk of verplaatsen zich. Soms heb je veel pijn en op andere momenten weinig, zonder een duidelijk verschil in wat je lichamelijk doet.
  • Spanning en ontspanning maken verschil. Bij stress of sterke emoties nemen de klachten toe. Tijdens een hobby, prettig gesprek of andere afleiding merk je juist minder pijn.
  • Verwachting en situatie beïnvloeden de pijn. De klachten beginnen bijvoorbeeld al wanneer je aan autorijden denkt, of dezelfde zitduur geeft op het werk veel meer last dan tijdens een ontspannen uitstapje.
  • Veel controleren gaat samen met meer klachten. Je voelt voortdurend aan je been, test steeds wat nog lukt of let de hele dag op pijn en tintelingen.
  • Angst voor schade beperkt je bewegingen. Je houdt je rug strak, beschermt je been en gaat steeds meer activiteiten vermijden.
  • De tijdlijn past bij langdurige spanning. De klachten begonnen of namen toe tijdens een stressvolle periode. Misschien herken je ook eerdere perioden met moeilijk verklaarbare lichamelijke klachten.
  • Triggerpoints en spierpijn keren terug. Behandeling van een bepaalde spier verlicht de herkenbare klachten, maar de spanning en pijn komen terug. In combinatie met de andere kenmerken kan dit wijzen op een ontregeld zenuwstelsel dat de spierreacties blijft aanjagen.

Een behandeling die niet helpt, is vooral reden om opnieuw naar de verklaring te kijken. De sterkste aanwijzingen ontstaan uit het geheel: de klachten, het medisch onderzoek én de herhaald herkenbare patronen.

Een voorbeeld: je kunt tijdens een ontspannen gesprek drie kwartier zitten, maar krijgt bij het openen van je werkmail vrijwel direct pijn. Gebeurt dit vaker bij ongeveer dezelfde zithouding en past een zenuw- of heupprobleem onvoldoende bij het verschil? Dan is ook de reactie op spanning en verwachting belangrijk voor de verklaring.

Niet ieder kenmerk hoeft aanwezig te zijn. Wanneer meerdere aanwijzingen samenkomen en geen andere medische verklaring beter past, kan een ontregeld zenuwstelsel de belangrijkste oorzaak zijn of de klachten in stand houden. Dat vraagt een andere aanpak dan uitsluitend rust, rekken of het corrigeren van je houding.

Ontdek of je deze aanwijzingen herkent

Bij langdurige of moeilijk verklaarbare beenpijn kan een ontregeld zenuwstelsel meespelen. De gratis Ischias Test helpt je herkennen of jouw klachten kenmerken daarvan hebben, zoals sterke wisselingen of duidelijke invloed van stress, ontspanning en afleiding.

De uitkomst biedt een eerste oriëntatie om te bepalen of het zinvol is deze verklaring verder te onderzoeken. De test vervangt geen medische diagnose.

Doe de gratis Ischias Test


8.3 Hoe kan een ontregeld zenuwstelsel klachten in stand houden?

Wanneer het zenuwstelsel een beweging of situatie als bedreigend heeft leren herkennen, kan het daarop met pijn reageren. Zitten, autorijden of bukken wordt dan een aangeleerde aanleiding voor klachten, ook wanneer de beweging op dat moment geen nieuwe schade veroorzaakt.

Dit gebeurt niet bewust. Het zenuwstelsel heeft als het ware geleerd: hier moet ik voor oppassen. Verwachting, angst en eerdere ervaringen kunnen die beschermingsreactie versterken. In de klinische uitleg over psychofysiologische klachten wordt onderzocht hoe je zulke patronen kunt herkennen en veranderen.


De 9 F’s die herstel in de weg kunnen zitten

Ook de manier waarop je op klachten reageert, kan het alarmsysteem onbedoeld actief houden. Bij BreinMedicijn gebruiken we de 9 F’s om zulke gedachten, gevoelens en gedragingen herkenbaar te maken:

  • Fear — angst en vermijden: bang zijn dat bewegen je rug of been beschadigt en daardoor steeds minder doen.
  • Focus — voortdurend opletten: steeds controleren waar de pijn zit en of ze verandert.
  • Frustration — frustratie: boos of moedeloos worden omdat de klachten blijven.
  • Figuring it out — blijven uitzoeken: ieder pijnmoment proberen te verklaren en steeds nieuwe verklaringen zoeken.
  • Fighting — ertegen vechten: de klachten voortdurend proberen tegen te houden.
  • Fixing — steeds repareren: telkens een nieuw hulpmiddel, oefening of behandeling zoeken om de klachten direct weg te krijgen.
  • Forecasting — klachten voorspellen: vooraf verwachten dat een activiteit weer pijn zal doen.
  • Forcing — herstel afdwingen: steeds testen of je al beter bent of jezelf onder druk zetten om snel te herstellen.
  • Forever — denken dat het nooit overgaat: een slechte dag zien als bewijs dat herstel onmogelijk is.

Dit zijn herkenningspunten voor onvrijwillige beschermingsreacties, geen verwijt. Je hoeft niet perfect te denken of nooit meer bang te zijn om aan herstel te kunnen werken.

De 9 F’s: angst, focus, frustratie, blijven uitzoeken, vechten, repareren, voorspellen, forceren en denken dat het nooit overgaat. De volledige uitleg staat in de tekst.

De 9 F’s: herkenbare gedachten, gevoelens en gedragingen bij aanhoudende klachten.

Zo kan een vicieuze cirkel ontstaan

Klachten kunnen onzekerheid en angst oproepen. Daardoor ga je er meer op letten, activiteiten vermijden, je lichaam testen of steeds naar een nieuwe oplossing zoeken. Voor het zenuwstelsel kan dat opnieuw bevestigen dat er iets mis of gevaarlijk is.

Het alarmsysteem blijft actief en de klachten kunnen sterker worden. Dat zorgt weer voor meer onzekerheid en beschermgedrag. Zo kunnen klachten, gedachten, gevoelens en gedrag elkaar blijven versterken.

Het herkennen van deze cirkel helpt om te kiezen waar je hem kunt doorbreken. Bijvoorbeeld door minder vaak te controleren, angst voor beweging te onderzoeken en weer vertrouwen op te bouwen in wat je kunt.

Schema waarin klachten, angst, aandacht en beschermgedrag elkaar kunnen versterken.

Klachten, angst, aandacht en beschermgedrag kunnen elkaar versterken.

Hoe dit er in de praktijk uit kan zien

In haar ervaring met het BreinMedicijn-programma beschrijft Eefje D. dat haar ischiasklachten flink waren verminderd. Ze kon volgens haar eigen verhaal weer zonder pijn en zorgen sporten. Ook de inzichten die ze tijdens het programma had opgedaan waren voor haar belangrijk.

Ze schreef daarbij dat het laatste deel van haar herstel nog tijd nodig had. Het is een persoonlijk herstelverhaal, geen voorspelling van het resultaat bij iemand anders.

Lees ook andere ervaringen met BreinMedicijn.

Ontdek hoe je de vicieuze cirkel kunt doorbreken

In de gratis online training leggen we uit hoe een ontregeld zenuwstelsel klachten kan blijven oproepen. Je leert herkennen welke patronen bij jou kunnen meespelen en welke stappen je kunt zetten.

Bekijk de gratis online training.

[BM-BEELD REPLACE-TRAINING-2 — Gecorrigeerde trainingsafbeelding — hier invoegen; marker verwijderen vóór livegang]

8.4 Wat laat onderzoek zien en wanneer past BreinMedicijn?

De vraag is niet alleen of een ontregeld zenuwstelsel je klachten kan verklaren. Je wilt ook weten: kan een behandeling die zich daarop richt de pijn daadwerkelijk verminderen? Hieronder lees je hoe klachten worden beoordeeld en wat een behandelonderzoek liet zien.

Een ontregeld zenuwstelsel kan aan kenmerken worden herkend

De klinische gids van Clarke, Schechter en Schubiner helpt behandelaars om lichamelijke bevindingen te vergelijken met veranderingen door belasting, stress, aandacht en verwachting. Zo wordt gezocht naar de verklaring die het beste bij alle klachten en bevindingen past.

De herkenbare aanwijzingen uit die beoordeling staan in hoofdstuk 8.2. Een behandeling wordt vervolgens gekozen op basis van die beoordeling, niet alleen omdat een MRI geen verklaring heeft gegeven.

Ook langdurige pijn kan sterk verminderen

Na vier weken Pain Reprocessing Therapy was 66% van de deelnemers in de PRT-groep pijnvrij of vrijwel pijnvrij. Bij placebo was dat 20% en bij gebruikelijke zorg 10%.

Dit onderzoek van Ashar en collega’s omvatte 151 volwassenen met gemiddeld tien jaar rugpijn die niet voldoende door een lichamelijke aandoening werd verklaard. Mensen met meer beenpijn dan rugpijn deden niet mee.

De PRT-groep kreeg één artsgesprek en acht behandelsessies in vier weken. Zij leerden pijn minder als gevaar te zien en bewegingen weer met vertrouwen uit te voeren. De andere groepen kregen een als placebo aangekondigde injectie of gingen door met hun gewone zorg.

Pijnvrij of vrijwel pijnvrij betekende een pijnscore van 0 of 1 op 10. De gemiddelde pijnscore daalde bij PRT van 4,2 naar 1,2. Na een jaar was die gemiddeld 1,5; de verbetering was dus grotendeels behouden.

Dit laat zien dat ook langdurige rugpijn sterk kan verminderen met een behandeling gericht op het zenuwstelsel. Het zijn resultaten bij die rugpijngroep, niet bij alle mensen met ischias of bij deelnemers aan BreinMedicijn.

Pain Reprocessing Therapy is één van de methoden die binnen het behandelprogramma van BreinMedicijn worden gebruikt.

Pain Reprocessing Therapy (PRT)

Wanneer past BreinMedicijn?

BreinMedicijn richt zich op aanhoudende klachten die door een ontregeld zenuwstelsel worden veroorzaakt of in stand gehouden. Dat kan passend zijn wanneer je klachten medisch voldoende zijn onderzocht en meerdere van de beschreven aanwijzingen bij jouw situatie aanwezig zijn.

Binnen het programma leer je onder andere anders reageren op pijn en tintelingen, angst voor beschadiging verminderen, beschermgedrag loslaten en aangeleerde triggers veranderen.

In hoofdstuk 9 lees je welke vervolgstap bij jouw situatie past.

9. Wat is de verstandigste volgende stap?

De volgende stap hangt af van wat je beenpijn het beste verklaart. Gebruik deze vijf situaties om gericht verder te gaan.

1. Er zijn nieuwe alarmsignalen

Bel direct je huisarts of de huisartsenpost bij plotselinge of toenemende duidelijke been- of voetzwakte, een nieuw doof gevoel rond anus of geslachtsdelen, niet kunnen plassen of nieuw verlies van controle over urine of ontlasting. Eén signaal is al reden om te bellen. Ook een plots koud, bleek en pijnlijk been vraagt directe beoordeling; bij een nieuw dik en warm been neem je dezelfde dag contact op.

In hoofdstuk 2.3 staan de overige alarmsignalen en contactadviezen. De contactadviezen bij een rughernia helpen bepalen wanneer je niet moet afwachten.

2. Een aandoening verklaart de klachten overtuigend

Passen de klachten en het onderzoek bij een hernia, stenose, andere zenuwaandoening of plaatselijk probleem? Richt de behandeling dan daarop. Bespreek wat je wilt verbeteren en wanneer je samen beoordeelt of dat lukt. In hoofdstuk 5 lees je wat de behandelingen kunnen opleveren.

3. De verklaring past maar gedeeltelijk of blijft onduidelijk

Laat opnieuw bekijken welke klachten wel en niet door de gevonden aandoening worden verklaard. Hoofdstuk 4.6 helpt je begrijpen wat onderzoeksuitslagen betekenen. Bij een ingewikkelde voorgeschiedenis kan de 360° Klachtenanalyse helpen om te vergelijken hoe je klachten begonnen, wat onderzoeken lieten zien en wat behandelingen veranderden. Benodigde medische diagnostiek blijft bij de arts.

4. Een ontregeld zenuwstelsel past het beste

Zijn je klachten medisch voldoende beoordeeld en herken je meerdere duidelijke aanwijzingen uit hoofdstuk 8.2? Dan is een aanpak gericht op het ontregelde zenuwstelsel een logische vervolgstap. Het invullen van de Ischias Test kan helpen die kenmerken te verkennen.

5. Je werkt al aan herstel, maar loopt vast

Dan gaat de vraag niet alleen over de oorzaak, maar over wat je herstel belemmert. De BreinMedicijn Herstelanalyse is bedoeld om die belemmeringen te onderzoeken. Op de programmapagina lees je meer over de Herstelanalyse en de begeleiding.

Gericht werken aan herstel

Het BreinMedicijn-programma richt zich op aanhoudende klachten waarbij een ontregeld zenuwstelsel een rol speelt. Op de programmapagina vind je de aanpak en de mogelijkheid om met de proefversie te beginnen.

Bekijk het behandelprogramma van BreinMedicijn.







Bij langdurige of moeilijk verklaarbare beenpijn kan een ontregeld zenuwstelsel meespelen. De gratis Ischias Test helpt je herkennen of jouw klachten kenmerken daarvan hebben, zoals sterke wisselingen of duidelijke invloed van stress, ontspanning en afleiding.

De uitkomst biedt een eerste oriëntatie om te bepalen of het zinvol is deze verklaring verder te onderzoeken. De test vervangt geen medische diagnose.

Doe de gratis Ischias Test

10. Veelgestelde vragen over ischias

Hieronder vind je antwoorden op vijf vragen die vaak terugkomen bij ischiasachtige klachten.

10.1 Wat is een ischiasaanval?

Een ischiasaanval is een periode met plotseling veel uitstralende pijn in bil of been. Het woord zegt hoe de klachten verlopen, niet waardoor ze ontstaan.

Hevige pijn betekent niet automatisch dat er nieuwe schade is. Let vooral op veranderingen in kracht, gevoel en plassen of ontlasting. Bij nieuwe duidelijke zwakte, een doof gevoel rond anus of geslachtsdelen, niet kunnen plassen of nieuw controleverlies bel je direct de huisarts of huisartsenpost.

Lees in hoofdstuk 2.3 wanneer je direct medische hulp moet zoeken.

10.2 Wat is de relatie met darmklachten?

Gewone obstipatie, diarree of buikpijn betekent niet dat de grote beenzenuw je darmen beschadigt. Medicijnen, minder bewegen en andere oorzaken kunnen een rol spelen. Bespreek nieuwe of aanhoudende darmklachten met je huisarts.

Nieuw verlies van controle over ontlasting of urine is iets anders. Bel daarmee direct de huisarts of huisartsenpost, zeker bij beenpijn. Dat geldt ook bij niet kunnen plassen of een nieuw doof gevoel rond anus of geslachtsdelen. Wacht niet tot alle verschijnselen tegelijk aanwezig zijn.

10.3 Kan ik alcohol drinken bij ischias?

Let vooral op de medicijnen die je gebruikt. Bij pregabaline kan alcohol de sufheid versterken. Ook bij andere medicijnen kan alcohol ongewenst zijn; kijk in de bijsluiter en vraag je apotheker wat voor jouw middel geldt.

Ga niet autorijden wanneer je suf bent. Stop of verander medicijnen niet zelf om alcohol te kunnen drinken.

10.4 Helpen voeding, supplementen, braces of speciale schoenen?

Er is geen dieet, magnesiumschema, supplement, brace of speciaal soort schoen waarvan met de bronnen voor dit artikel is aangetoond dat het ischias in het algemeen verhelpt.

Een hulpmiddel kan wel praktisch zijn voor een bepaalde taak of houding. Maak daarom concreet wat je ermee wilt bereiken: gemakkelijker lopen, prettiger zitten of beter slapen. Kijk of dat werkelijk verbetert, in plaats van te verwachten dat het hulpmiddel iedere mogelijke oorzaak oplost.

In hoofdstuk 5.3 staan praktische mogelijkheden voor het dagelijks leven. Bij terugkerende klachten helpt opnieuw kijken naar de verklaring meer dan telkens een nieuw product proberen. Begrippen als een verstoord chakra of hormoondisbalans geven op zichzelf geen verklaring voor uitstralende beenpijn.

10.5 Wat zegt een online test of herstelverhaal?

De gratis Ischias Test helpt je herkennen of je klachten kenmerken hebben die bij een ontregeld zenuwstelsel passen. De uitslag is een eerste oriëntatie, geen medische diagnose. In hoofdstuk 4.6 lees je hoe je die uitkomst naast je medische onderzoeken gebruikt.

Een herstelverhaal kan herkenning, hoop en ideeën geven over een andere aanpak. Het beschrijft de ervaring van die persoon; wat bij jou past hangt af van je eigen klachten en wat het onderzoek bij jou laat zien.

11. Bronnen

Dit artikel gebruikt medische richtlijnen, wetenschappelijk onderzoek en de hieronder genoemde boeken. Bij de uitleg staan links naar de relevante bronnen. Hieronder vind je ze per onderwerp.

Richtlijnen en informatie voor patiënten
Anatomie, onderzoek en mogelijke oorzaken
Behandeling en herstel
Werkbelasting en risico
Boeken en uitleg over spieren en het zenuwstelsel
  • Clair Davies en Amber Davies (2014). Handboek triggerpoint-therapie. Nederlandse uitgave, ISBN 9789401301589.
  • David Clarke, David Schechter en Howard Schubiner, red. (2022). A Diagnostic Guide for Psychophysiologic Disorders. Psychophysiologic Disorders Association; onder meer hoofdstuk 2 over de beoordeling van klachtenpatronen.
  • John E. Sarno. The Mindbody Prescription: Healing the Body, Healing the Pain. Hoofdstuk 3, pagina’s 57–62 en 68–76.
  • David Hanscom (2017). Back in Control: A Surgeon’s Roadmap Out of Chronic Pain. Tweede editie, hoofdstukken 2 en 16.
  • David Schechter (2014). Think Away Your Pain. Eerste druk, hoofdstukken IV en VI.
Voorbeelden van pijn, waarneming en dreiging
Ervaringen en informatie over BreinMedicijn

Over dit artikel

Samengesteld voor BreinMedicijn. Tekst bijgewerkt op 26 oktober 2026. De ervaringen en informatie over het eigen programma staan apart van het wetenschappelijke onderzoek.

Reacties