
Alles over Radiaal tunnel syndroom- oorzaak en behandeling
In het kort
- Bij radiaal tunnelsyndroom (RTS) staat pijn aan de buitenkant van de elleboog en bovenin de onderarm centraal. De pijn kan toenemen bij draaien, tillen en stevig vastpakken. Je kunt daardoor minder kracht zetten, maar echte zwakte bij het strekken van vingers of duim past minder goed bij het klassieke RTS-beeld.
- Minder kracht zetten door pijn is iets anders dan echte spierzwakte. Kun je je vingers of duim steeds minder goed strekken, of blijft een deel van je hand doof? Laat dit dan door een arts beoordelen, zeker als het nieuw is of toeneemt.
- Bij RTS staat meestal pijn centraal, niet echte spieruitval. Een arts kijkt daarom naar de precieze pijnplek, welke bewegingen de bekende pijn oproepen en of vingers en duim nog normaal kunnen strekken. Een normale zenuwtest sluit het pijnlijke RTS-beeld niet uit. Echo of MRI kan soms een plaatselijke oorzaak zichtbaar maken of juist een andere verklaring vinden.
- Bij stabiele klachten wordt meestal eerst zonder operatie behandeld. Denk aan tijdelijk aanpassen van pijnlijke belasting, fysiotherapie en soms een brace. In een vergelijkend RTS-onderzoek gaf een corticosteroïdinjectie geen duidelijk beter resultaat dan een placebo-injectie.
- Een operatie kan helpen, maar geeft geen garantie op herstel. In een langdurig onderzoek had ongeveer 67% na gemiddeld bijna vijf jaar nog weinig of geen klachten en kon normale activiteiten weer hervatten.
- Past het klachtenpatroon niet goed bij radiaal tunnel syndroom of blijven klachten ondanks een passende behandeling bestaan, dan is het belangrijk om verder te kijken. Wisselen de klachten sterk in intensiteit of veranderen ze duidelijk onder invloed van stress, ontspanning of afleiding? Dan kan een ontregeld zenuwstelsel een belangrijke rol spelen. De gratis pijntest hieronder geeft een eerste indicatie of daar bij jouw klachten sprake van kan zijn.
Belangrijk om te weten
Een ontregeld zenuwstelsel is meestal niet zichtbaar bij regulier medisch onderzoek. Daardoor kan het als mogelijke verklaring voor aanhoudende klachten over het hoofd worden gezien.
Gratis Chronische pijntest
Bij langdurige of moeilijk verklaarbare klachten kan een ontregeld zenuwstelsel een aanvullende of zelfs de belangrijkste oorzaak zijn.
Wil je weten of dit bij jouw klachten een rol kan spelen? De gratis test brengt in kaart of je positieve aanwijzingen herkent die daarbij passen, zoals sterk wisselende klachten of klachten die duidelijk veranderen onder invloed van stress, ontspanning of afleiding.
Binnen enkele minuten krijg je een eerste indicatie van de mate waarin een ontregeld zenuwstelsel bij jouw klachten meespeelt en of het zinvol is om deze mogelijke oorzaak gericht te behandelen.
Introductie
Een tas optillen, een pot opendraaien of iets stevig vastpakken kan lastig worden wanneer de buitenkant van je elleboog en onderarm pijn doet. Misschien heb je daarvoor de diagnose radiaal tunnelsyndroom gekregen. Dan wil je weten wat er aan de hand is, welke behandeling kan helpen en of je je arm nog mag belasten.
Bij RTS staat meestal pijn centraal. Pijn rond een zenuw betekent niet automatisch dat die zenuw beschadigd is of je spieren minder goed aanstuurt. Kun je je vingers of duim niet meer goed strekken, dan moet een arts juist beoordelen of de betrokken zenuwtak minder goed werkt.
Passen je klachten maar gedeeltelijk bij RTS of blijven ze ondanks een passende behandeling bestaan? Dan is het verstandig om breder te kijken. Zijn er ook positieve aanwijzingen, zoals duidelijke invloed van stress, ontspanning of afleiding, dan kan een ontregeld zenuwstelsel een belangrijke of zelfs de hoofdrol spelen.
Omdat een ontregeld zenuwstelsel meestal niet zichtbaar is bij regulier medisch onderzoek, kan het als mogelijke verklaring voor de klachten over het hoofd worden gezien.
Het behandelprogramma van BreinMedicijn richt zich op klachten die door een ontregeld zenuwstelsel worden veroorzaakt of in stand gehouden. In dit artikel lees je welke klachten bij radiaal tunnelsyndroom passen, hoe RTS wordt onderzocht, welke behandelingen mogelijk zijn en wanneer verder kijken zinvol is.
Bekijk het behandelprogramma van BreinMedicijn
Inhoudsopgave
1. Wat is het radiaal tunnelsyndroom?
Het radiaal tunnelsyndroom, meestal afgekort tot RTS, is een klachtenbeeld met pijn aan de buitenkant van de elleboog en in het bovenste deel van de onderarm.
De gebruikelijke medische verklaring is druk of irritatie rond een diepe tak van de spaakbeenzenuw. Die zenuwtak loopt daar door een smalle doorgang tussen spieren en andere weefsels: de radiale tunnel.
De naam zegt dus iets over de plek waar een probleem wordt vermoed. Hij betekent niet dat bij iedereen met deze diagnose een beknelling zichtbaar of meetbaar is. Artsen stellen RTS doorgaans vast op basis van de klachten en het lichamelijk onderzoek.
In hun klinische overzicht over radiaal tunnelsyndroom onderscheiden Levina en Dantuluri dit pijnlijke beeld van een probleem waarbij de zenuw de spieren aantoonbaar minder goed aanstuurt. Dat verschil is belangrijk voor de uitleg van een onderzoeksuitslag en voor de behandelkeuze.
1.1 Waar loopt de betrokken zenuw?
De spaakbeenzenuw heet in medische taal de nervus radialis. Deze zenuw loopt vanuit de bovenarm naar de buitenkant van de elleboog en verdeelt zich daar in takken met verschillende taken.
De oppervlakkige tak zorgt voor het gevoel in een deel van de huid aan de handrug. De diepe tak loopt tussen de onderarmspieren door. Hij passeert onder andere de supinator: de spier waarmee je de onderarm draait, bijvoorbeeld om je handpalm naar boven te richten.
Verder in de onderarm heet de diepe tak de nervus interosseus posterior, afgekort PIN. Hij stuurt verschillende spieren aan waarmee je je vingers en duim strekt. De diepe zenuwtak zorgt niet voor het gevoel in de huid van de hand.
Zenuwen, spieren en pezen liggen in dit gebied dicht bij elkaar. Pijn bij het draaien van de onderarm kan daarom verschillende verklaringen hebben. De arts kijkt niet alleen welke beweging pijn doet, maar ook of je die beweging nog goed kunt uitvoeren en of de kracht werkelijk is afgenomen.

1.2 Is RTS hetzelfde als het PIN-syndroom?
Niet zonder meer. Met RTS wordt meestal het pijnlijke klachtenbeeld rond de radiale tunnel bedoeld. Bij het motorische PIN-syndroom staan problemen met de aansturing van spieren centraal. Vingers of duim kunnen dan bijvoorbeeld minder goed worden gestrekt. Met motorisch bedoelen artsen de aansturing van bewegingen.
Dat is iets anders dan minder hard knijpen omdat knijpen pijn doet. In het eerste geval kan een zenuw de spieren onvoldoende aansturen. In het tweede geval beperkt de pijn hoeveel kracht je zet. Beide vragen aandacht, maar ze zijn niet hetzelfde probleem.
De namen worden in de medische literatuur niet overal op dezelfde manier gebruikt. Patterson en collega’s gebruiken bijvoorbeeld de term PIN-compressie voor een geselecteerde groep met vooral pijn. Mensen bij wie spieren door een zenuwprobleem uitvielen, deden juist niet mee aan hun onderzoek.
Staat er in jouw verslag RTS, PIN-compressie of PIN-syndroom? Vraag dan welk probleem ermee wordt bedoeld: vooral pijn rond de zenuw, spieren die minder goed door de zenuw worden aangestuurd, of beide. De klachten en onderzoeksbevindingen vertellen meer dan de naam alleen.
2. Welke klachten passen bij RTS en hoe wordt het onderzocht?
Bij RTS staat meestal pijn aan de buitenkant van de elleboog en bovenin de onderarm op de voorgrond. Stevig vastpakken, tillen en het draaien van de onderarm kunnen de pijn oproepen. Een arts vergelijkt die klachten met de precieze pijnplek, het gevoel, de kracht en de bewegingen van de arm en hand.
Een losse thuistest kan niet vaststellen of je RTS hebt. Ook één normale of afwijkende onderzoeksuitslag geeft niet het hele antwoord. Hieronder lees je wat de verschillende onderdelen van het onderzoek betekenen.
2.1 Welke klachten passen bij radiaal tunnelsyndroom?
In het onderzoeksoverzicht van Hones en collega’s werden dertien onderzoeken bij groepen mensen met RTS bekeken. Plaatselijke drukpijn en lichamelijk onderzoek speelden steeds een belangrijke rol bij het stellen van de diagnose. De precieze criteria verschilden tussen de onderzoeken.
Herkenbare klachten zijn:
- Pijn aan de buitenkant van de elleboog of enkele centimeters daaronder, in het bovenste deel van de onderarm.
- Pijn bij het draaien van de onderarm, bijvoorbeeld wanneer je een pot opendraait of met een schroevendraaier werkt.
- Pijn bij tillen of stevig vastpakken, waardoor je de arm minder krachtig gebruikt.
- Een drukgevoelige plek in het gebied van de radiale tunnel. Druk of een beweging tegen weerstand kan de bekende pijn oproepen.
De gevoeligste plek ligt bij RTS vaak iets onder de buitenste botknobbel van de elleboog. Bij een tennisarm ligt de pijn doorgaans meer rond de peesaanhechting op die botknobbel. Er kan overlap zijn; op basis van alleen de pijnplek kun je beide niet betrouwbaar uit elkaar houden.
Pijn kan ervoor zorgen dat je minder kracht zet. Je vingers of duim niet goed meer kunnen strekken, is een andere verandering. Laat nieuwe of toenemende strekzwakte medisch beoordelen. In hoofdstuk 2.6 lees je bij welke veranderingen je contact opneemt met een arts.
2.2 Welke klachten vragen om een andere verklaring?
De diepe zenuwtak bij de radiale tunnel zorgt niet voor het gevoel in de huid van de hand. Blijvend gevoelsverlies in de hand past daarom minder goed bij alleen het pijnlijke RTS-beeld. Ook andere klachten kunnen reden zijn om breder te kijken:
- Je vingers of duim worden duidelijk zwakker bij het strekken. De arts onderzoekt dan of de zenuw de betreffende spieren minder goed aanstuurt.
- Een deel van de hand blijft doof of het gebied met minder gevoel breidt zich uit. Een andere zenuwtak of een probleem op een andere plek langs de zenuw kan dan relevant zijn.
- Nek- of schouderklachten staan sterk op de voorgrond, of het klachtengebied is veel groter dan alleen de buitenkant van de elleboog en de bovenste onderarm.
- De klachten verplaatsen zich of wisselen sterk, terwijl je de arm ongeveer evenveel belast.
De eerste drie situaties vragen vooral om een gerichte beoordeling van de zenuwen, spieren en andere weefsels die de klachten kunnen verklaren. In hoofdstuk 6 lees je welke andere klachten op RTS kunnen lijken.
Veranderen de klachten daarnaast duidelijk door stress, ontspanning of afleiding? Gaat dezelfde handeling tijdens een ontspannen hobby bijvoorbeeld veel gemakkelijker dan op een gespannen werkdag? Dat zijn positieve aanwijzingen dat ook het brein en zenuwstelsel de klachten beïnvloeden.
Past geen andere medische verklaring beter en komen meerdere van deze aanwijzingen samen, dan kan een ontregeld zenuwstelsel een belangrijke of zelfs de meest waarschijnlijke oorzaak zijn. De gratis pijntest helpt je zulke kenmerken in je eigen klachtenpatroon te herkennen. In hoofdstuk 8 lees je hoe een ontregeld zenuwstelsel klachten kan veroorzaken of in stand houden.

Gratis online training: begrijpen waarom klachten blijven bestaan
Leer hoe het brein en zenuwstelsel klachten kunnen blijven oproepen, waarom die klachten echt zijn en welke aanpak daarbij past.
2.3 Wat onderzoekt de arts aan je arm?
De arts vraagt waar de pijn zit, wanneer de klachten begonnen en wat de klachten verandert. Ook wordt besproken of je minder gevoel hebt, minder kracht kunt zetten of bepaalde bewegingen niet goed meer kunt uitvoeren.
Bij lichamelijk onderzoek worden verschillende vragen uit elkaar gehouden.
Waar zit de gevoeligste plek?
De arts drukt op verschillende plaatsen rond de elleboog en onderarm. Bij RTS ligt de gevoeligste plek meestal enkele centimeters onder de buitenste elleboogknobbel. Bij een tennisarm zit de pijn meestal dichter bij de peesaanhechting op de buitenkant van de elleboog.
Herkenbare drukpijn helpt om de klacht te lokaliseren. Alleen drukpijn bewijst nog niet dat een zenuw bekneld is; ook spieren en pezen kunnen gevoelig zijn.
Welke beweging roept de pijn op?
De arts kan je vragen de onderarm naar buiten te draaien of een vinger te strekken terwijl daar weerstand tegen wordt gegeven. Ook deze bewegingen tegen weerstand worden bij RTS gebruikt om te kijken of de herkenbare pijn wordt opgeroepen.
Dit heet een provocatietest: een test die probeert de klacht op te roepen. Een pijnreactie is een aanwijzing bij het onderzoek, geen zelfstandig bewijs van zenuwschade of een specifieke beknelling. Je hoeft zulke pijnlijke tests thuis niet steeds te herhalen.
Werken de spieren nog goed?
De arts kijkt hoe je de pols, vingers en duim beweegt en strekt. Daarbij wordt vergeleken of je werkelijk minder kracht kunt leveren, of dat je door pijn eerder stopt. Ook verschillen tussen de twee armen kunnen belangrijk zijn.
Een spier die ondanks je inspanning niet goed meebeweegt, vraagt een andere beoordeling dan een beweging die vooral pijn doet. Bij echte strekzwakte wordt onderzocht welk deel van de zenuw daarvoor een verklaring kan geven.
Is er minder gevoel of speelt er iets anders?
Door aanraking op verschillende plaatsen te vergelijken, kan de arts nagaan of het gevoel is veranderd. Afhankelijk van het klachtenpatroon worden ook de nek, schouder, andere zenuwen of het ellebooggewricht onderzocht.
Zo ontstaat een totaalbeeld: welke bevindingen passen bij elkaar en welke klachten vragen nog een andere verklaring?
2.4 Wat zeggen een zenuwtest, echo of MRI?
Een zenuwtest en beeldvormend onderzoek beantwoorden verschillende vragen. Een zenuwtest gaat vooral over het doorgeven van elektrische signalen en de aansturing van spieren. Een echo of MRI laat vooral zien hoe de zenuw en de omliggende weefsels eruitzien.
Zenuwgeleidingsonderzoek en EMG
Wat onderzoekt het? Bij zenuwgeleidingsonderzoek wordt gemeten hoe elektrische signalen door een zenuw worden doorgegeven. Bij een naald-EMG wordt de elektrische activiteit van spieren onderzocht. Daarmee kan de arts nagaan of een zenuw de spieren minder goed aanstuurt.
Wat betekent een normale uitslag? Er zijn met deze metingen geen duidelijke afwijkingen gevonden. Bij RTS, waarbij vooral pijn op de voorgrond staat, kunnen deze onderzoeken normaal zijn. In een overzicht van 13 onderzoeken naar RTS was de zenuwtest bij slechts ongeveer 9% van de onderzochte armen afwijkend. Een normale zenuwtest sluit RTS daarom niet uit.
Wat betekent een afwijkende uitslag? Een afwijking kan erop wijzen dat een zenuw of de aansturing van bepaalde spieren minder goed werkt. De arts kijkt daarom welke zenuw en spieren afwijkend zijn en of dit past bij de pijn, eventuele spierzwakte en het verloop van de klachten.

Echo
Wat onderzoekt het? Met een echo kan de arts gericht naar de zenuw en de weefsels eromheen kijken. Bijvoorbeeld wanneer wordt vermoed dat iets plaatselijk op de zenuw drukt of wanneer een andere verklaring voor de klachten wordt gezocht.
Wat betekent een normale uitslag? Op de onderzochte plek is geen duidelijke afwijking zichtbaar. Dat sluit niet ieder pijnprobleem rond de radiale tunnel uit.
Wat betekent een afwijkende uitslag? Een zichtbare verandering kan de arts helpen om het probleem beter te begrijpen. Daarvoor moet die verandering wel passen bij de klachten en het lichamelijk onderzoek. Een plaatje alleen bepaalt niet welke behandeling nodig is.
MRI
Wat onderzoekt het? Een MRI maakt gedetailleerde beelden van de zenuwomgeving, spieren en andere weefsels. Het onderzoek kan bijvoorbeeld helpen zoeken naar iets dat op de zenuw drukt, spierveranderingen die bij een zenuwprobleem passen of een andere oorzaak van de klachten.
Wat betekent een normale uitslag? Er is geen duidelijke afwijking gevonden die de onderzochte vraag beantwoordt. Ook bij een normaal MRI-beeld kan er een klinisch RTS-pijnbeeld zijn.
Wat betekent een afwijkende uitslag? De arts beoordeelt of wat op de MRI zichtbaar is past bij de zenuw en spieren die bij jouw klachten betrokken zijn. Een MRI-onderzoek bij mensen bij wie RTS werd vermoed laat zien dat een MRI veranderingen kan tonen die RTS ondersteunen of juist een andere verklaring zichtbaar kunnen maken. Niet bij iedereen met RTS-achtige klachten werden afwijkingen gevonden.
Een MRI kan RTS dus ondersteunen, maar stelt de diagnose niet op zichzelf vast. Ook een normale MRI sluit RTS niet uit.
Aanvullend onderzoek is vooral nuttig wanneer de uitslag helpt om een gerichte vraag te beantwoorden of de behandelkeuze te veranderen. Niet iedereen heeft daarom automatisch een zenuwtest, echo én MRI nodig.
2.5 Hoe sterk zijn de aanwijzingen dat radiaal tunnel syndroom je klachten verklaart?
De situaties hieronder laten zien hoe de plaats van de pijn, het lichamelijk onderzoek, kracht en gevoel en eventueel aanvullend onderzoek samen worden gewogen. Dit is geen medische puntentest. Bij RTS bestaat geen afzonderlijke test die de diagnose op zichzelf bevestigt. Een normale zenuwtest sluit het pijnlijke RTS-beeld bijvoorbeeld niet uit.
Hoe goed RTS je pijn verklaart en hoe goed de zenuw de spieren nog aanstuurt, zijn bovendien twee verschillende vragen.
Echte strekzwakte: een ander zenuwprobleem moet worden onderzocht
Wat zie je?
- Je vingers of duim kunnen daadwerkelijk minder goed worden gestrekt, ook wanneer rekening wordt gehouden met pijn.
- Bij lichamelijk onderzoek blijkt dat bepaalde strekspieren minder krachtig werken.
- Een afwijkend EMG of zenuwgeleidingsonderzoek kan ondersteunen dat de zenuw deze spieren minder goed aanstuurt.
- Een echo of MRI kan, wanneer nodig, helpen zoeken naar de plek of oorzaak van het zenuwprobleem.
Wat betekent dit?
Dit past beter bij een motorisch probleem van de diepe tak van de spaakbeenzenuw, zoals PIN-syndroom, dan bij het klassieke RTS-beeld waarbij vooral pijn centraal staat. De huisarts of specialist beoordeelt welke zenuw betrokken is en welke behandeling nodig is. Nieuwe of toenemende strekzwakte vraagt tijdige medische beoordeling.
Sterke aanwijzingen voor RTS
Wat zie je?
- De herkenbare pijn zit vooral enkele centimeters onder de buitenste elleboogknobbel, in het gebied van de radiale tunnel.
- Druk op die plek roept de bekende pijn op. De gevoeligste plek ligt niet vooral op de peesaanhechting van een tennisarm.
- Passende bewegingen tegen weerstand, zoals de onderarm naar buiten draaien of een vinger strekken, kunnen dezelfde pijn oproepen.
- Je vingers en duim kunnen nog normaal worden gestrekt en er is geen blijvend gevoelsverlies dat om een andere zenuwverklaring vraagt.
- Een zenuwtest kan normaal zijn. Laat een echo of MRI wél een plaatselijke afwijking zien die precies bij de klachten en onderzoeksbevindingen past, dan versterkt dat de lokale verklaring.
Wat betekent dit?
RTS is dan een aannemelijke hoofdverklaring voor de plaatselijke pijn. Vooral de combinatie van de typische pijnplek, herkenbare drukpijn en passende provocatie geeft steun. Een normale zenuwtest maakt deze verklaring niet automatisch minder passend.
Dit betekent nog niet dat een anatomische beknelling bewezen is of dat een operatie nodig is. Het verloop, de ernst en het effect van een passende behandeling bepalen welke volgende stap logisch is. In hoofdstuk 5 lees je welke behandelingen en oefeningen mogelijk zijn.
Een deel van de klachten past bij RTS
Wat zie je?
- De plaatselijke pijn aan de buitenkant van de elleboog of bovenin de onderarm past bij RTS en kan daar ook door druk of beweging worden opgeroepen.
- Andere klachten passen minder goed, zoals blijvend gevoelsverlies in de hand, duidelijke nek- of schouderklachten of pijn in een veel groter gebied.
- Het lichamelijk of aanvullend onderzoek kan steun geven voor een plaatselijk probleem, maar verklaart niet het volledige klachtenbeeld.
Wat betekent dit?
RTS kan dan een deel van de klachten verklaren, maar waarschijnlijk niet alles. Een andere zenuwtak, een probleem op een andere plek langs een zenuw, een tennisarm of triggerpoints kunnen daarnaast relevant zijn. In hoofdstuk 6 lees je welke andere verklaringen bij blijvende klachten worden beoordeeld.
Weinig aanwijzingen voor RTS
Wat zie je?
- De pijn zit vooral buiten het gebruikelijke gebied van de radiale tunnel of er is daar nauwelijks herkenbare drukpijn.
- Bewegingen die bij RTS vaak de bekende pijn oproepen doen dat niet, terwijl andere bewegingen of gebieden duidelijker bij de klachten passen.
- Er is blijvend gevoelsverlies, echte spierzwakte of een ander neurologisch patroon dat RTS met vooral pijn niet goed verklaart.
- Onderzoek wijst duidelijker naar bijvoorbeeld een andere zenuw, de nek, een tennisarm, een spier- of peesprobleem of een andere plaatselijke oorzaak.
Wat betekent dit?
RTS wordt dan minder waarschijnlijk als verklaring voor het volledige klachtenbeeld. Eén normale zenuwtest is daarvoor niet genoeg; vooral het ontbreken van een passend klinisch patroon en het beter passen van een andere verklaring wegen mee.
De klachten worden plaatselijk onvoldoende verklaard en er zijn positieve aanwijzingen voor een ontregeld zenuwstelsel
Wat zie je? De pijn verplaatst zich, wisselt sterk in intensiteit of verandert duidelijk door stress, ontspanning en afleiding. Dezelfde beweging kan in de ene situatie veel gemakkelijker gaan dan in de andere. Soms beginnen klachten al wanneer je aan een activiteit denkt, voordat je de arm werkelijk belast.
Wat betekent dit? Past na medische beoordeling geen andere verklaring beter en komen meerdere van deze kenmerken samen? Dan kan een ontregeld zenuwstelsel de meest waarschijnlijke oorzaak zijn. Het is dan logisch om juist die overgevoelige reactie aan te pakken, in plaats van steeds alleen de pijnlijke plek te behandelen.
De gratis pijntest helpt je de positieve aanwijzingen te herkennen. In hoofdstuk 8 lees je hoe een ontregeld zenuwstelsel klachten kan veroorzaken of in stand houden.
2.6 Wanneer moet je naar de huisarts of specialist?
Laat aanhoudende onderarmklachten beoordelen wanneer nog niet duidelijk is wat er speelt. Bij RTS staat meestal pijn centraal. Duidelijke zwakte van de spieren waarmee je vingers en duim strekt past juist bij een probleem waarbij de diepe tak van de spaakbeenzenuw de spieren minder goed aanstuurt en vraagt een andere medische beoordeling.
Neem opnieuw contact op als het eerder onderzochte klachtenbeeld duidelijk verandert, vooral bij:
- Nieuwe of toenemende strekzwakte: je vingers of duim bewegen niet goed meer mee of je kunt ze minder goed strekken.
- Blijvend of toenemend gevoelsverlies: een deel van je hand blijft doof of het gebied met minder gevoel wordt groter.
- Klachten na een ongeluk of verwonding, zeker als je arm of hand sindsdien duidelijk anders werkt.
- Een opvallende plaatselijke zwelling of een andere duidelijke verandering rond de elleboog of onderarm.
Ontstaan zulke veranderingen plotseling of nemen ze snel toe? Neem dan snel contact op met je huisarts. Wacht bij nieuwe of toenemende uitval niet eerst af of rust, oefeningen of een pijnprogramma helpen.
Veel pijn betekent niet automatisch dat de zenuw ernstig beschadigd is. Andersom verdient afnemende spierkracht aandacht, ook wanneer de pijn meevalt.
3. Hoe kunnen klachten rond de radiale tunnel ontstaan?
De gebruikelijke verklaring voor RTS is druk of irritatie rond de diepe tak van de spaakbeenzenuw. Toch zijn het begin van de klachten, een beweging die pijn oproept en de reden waarom de pijn blijft bestaan niet altijd hetzelfde.
Voor een passende behandeling is het belangrijk om dat verschil te begrijpen. Je kunt een pijnlijke handeling tijdelijk aanpassen zonder iedere beweging als nieuwe beschadiging te beschouwen.
3.1 Lokale druk, letsel of een andere afwijking
De diepe zenuwtak loopt door een gebied waar ook spieren, pezen en bindweefsel liggen. Onder andere rond de ingang van de supinator kan de zenuw onder druk komen te staan. Een eerdere verwonding of iets dat ruimte inneemt, zoals een plaatselijke zwelling, kan eveneens aanleiding zijn om naar een zenuwprobleem te zoeken.
Bij een passende verdenking kan gerichte beeldvorming helpen om zulke mogelijke drukplaatsen of andere plaatselijke oorzaken te onderzoeken.
Dat een plek anatomisch krap kan zijn, betekent niet dat daar bij iedere patiënt de oorzaak zit. De verklaring wordt sterker als de bevinding overeenkomt met de klachten en wat je minder goed kunt. Bijvoorbeeld wanneer een zenuw op een bepaalde plek minder goed werkt en juist de spieren die hij aanstuurt zwakker zijn. Bij alleen plaatselijke pijn is die oorzaak vaak minder zeker vast te stellen.
3.2 Een uitlokkende activiteit is niet altijd de oorzaak
Doet het opendraaien van een pot pijn, dan lokt die handeling de klacht uit. Daarmee is nog niet aangetoond waarom de klacht is ontstaan of waarom zij blijft terugkomen.
Een beweging kan gevoelig weefsel belasten, een zenuw prikkelen of een gespannen spier activeren. Ook kan het zenuwstelsel een eerder pijnlijke beweging met gevaar zijn gaan verbinden. Welke uitleg het best past, hangt af van het hele klachtenpatroon.
De vraag is daarom niet alleen: welke beweging doet pijn? Het is ook: wat gebeurt er tijdens die beweging, welke bevindingen zijn er en reageert de arm in andere situaties op dezelfde manier?
4. Hoe verloopt het herstel bij radiaal tunnelsyndroom?
Er is geen vaste hersteltijd voor radiaal tunnelsyndroom. Het verloop hangt onder meer af van de vraag of vooral pijn aanwezig is of dat een zenuw aantoonbaar minder goed werkt, en van de gekozen behandeling.
Over het natuurlijke verloop zonder behandeling is weinig betrouwbaar onderzoek beschikbaar. De meeste RTS-onderzoeken kijken juist naar mensen ná een injectie, fysiotherapie of operatie. Daardoor weten we niet goed hoeveel mensen vanzelf herstellen of hoe lang dat gemiddeld duurt.
4.1 Hoe lang kunnen de klachten aanhouden?
RTS-klachten kunnen weken, maanden of langer aanwezig blijven, maar de duur alleen vertelt niet waardoor de pijn wordt veroorzaakt of of een zenuw steeds verder beschadigt.
Kijk daarom vooral naar het verloop: neemt de pijn af, kun je je arm weer meer gebruiken en blijven vingers en duim normaal strekken? Nieuwe of toenemende strekzwakte of blijvend gevoelsverlies vraagt wel eerdere medische beoordeling. In hoofdstuk 2.6 lees je wanneer je opnieuw contact opneemt met een arts.
5. Welke behandelingen en oefeningen zijn mogelijk bij radiaal tunnelsyndroom?
Welke behandeling past, hangt af van het probleem dat uit je klachten en het onderzoek naar voren komt. Bij stabiele pijn zonder toenemende spieruitval worden vaak eerst mogelijkheden zonder operatie besproken. Bij een zenuw die aantoonbaar minder goed werkt, beoordeelt de specialist welke gerichte behandeling nodig is.
Voor RTS is de onderbouwing van behandelingen beperkt. Sommige onderzoeken laten verbetering zien, maar een verbetering na behandeling is niet hetzelfde als bewijs dat die behandeling de verbetering veroorzaakte. Een vergelijking met een andere behandeling helpt om dat verschil beter te beoordelen.
5.1 Belasting aanpassen, een brace of pijnmedicatie
Bij bewegingen die de bekende pijn duidelijk oproepen, kun je tijdelijk aanpassen hoeveel kracht je zet of hoe lang je dezelfde beweging achter elkaar uitvoert. Het doel is de pijnlijke arm minder te irriteren zonder hem onnodig stil te houden. Bij RTS worden vooral langdurig draaien van de onderarm en bepaalde standen van elleboog en pols als mogelijke provocerende belasting genoemd.
Een afneembare pols- of armbrace wordt soms gebruikt om zulke pijnlijke bewegingen tijdelijk te beperken en het gebied rond de radiale tunnel minder te belasten. Dat is een gebruikelijke behandeling, maar onderzoek geeft nog geen betrouwbaar antwoord hoeveel een brace bij RTS werkelijk helpt.
Een brace kan daarom iets zijn om uit te proberen, maar is geen bewezen oplossing voor RTS. Bespreek met je behandelaar welke beweging de brace moet beperken en wanneer je beoordeelt of je er daadwerkelijk meer door kunt.
Voor pijn kun je bijvoorbeeld paracetamol gebruiken. Ook ontstekingsremmende pijnstillers, zoals ibuprofen, naproxen of diclofenac (NSAID's), worden bij RTS gebruikt. De klinische behandelbespreking over RTS noemt NSAID's als onderdeel van een behandeling zonder operatie, maar er is geen goed RTS-onderzoek dat laat zien hoeveel mensen hierdoor herstellen.
Pijnstilling kan de klachten verminderen, maar bewijst niet dat de oorzaak daarmee wordt behandeld. NSAID's zijn bovendien niet voor iedereen geschikt; bespreek gebruik bij twijfel met je huisarts of apotheker.
Sterke pijnstillers zoals tramadol, oxycodon of morfine zijn geen standaardbehandeling voor RTS. Bij langdurig gebruik kunnen opioïden onder meer gewenning en afhankelijkheid geven, terwijl het voordeel bij langdurige pijn beperkt kan worden.
Bij sommige mensen kan langdurig opioïdgebruik bovendien samengaan met een verhoogde gevoeligheid voor pijn. Gebruik je zulke middelen langere tijd, verander of stop ze dan niet zelf maar bespreek dit met je arts.
5.2 Welke oefeningen of fysiotherapie kunnen passen?
Fysiotherapie kan helpen om bewegingen en dagelijkse handelingen weer op te bouwen. Welke oefeningen passen, hangt af van de pijnplek, de beweeglijkheid, de spierkracht en wat bij onderzoek is gevonden.
Er is geen universeel RTS-oefenschema waarvan vaststaat dat het de klachten oplost. Het is daarom zinvoller om een oefening aan een duidelijk doel te koppelen dan om steeds meer verschillende rek- of zenuwoefeningen te proberen.
Een praktische aanpak kan bestaan uit:
- Passend blijven bewegen. Bespreek welke bewegingen van elleboog, onderarm, pols en hand je goed kunt blijven uitvoeren. Het doel is de arm te blijven gebruiken, niet zo hard mogelijk te rekken.
- Gewone handelingen oefenen. Denk aan draaien, dragen of vastpakken. Je begint op een niveau dat bij jouw klachten en mogelijkheden past en bouwt dat samen met de fysiotherapeut op.
- Gerichte oefeningen kiezen. Wanneer daar een reden voor is, kan de fysiotherapeut oefeningen voor kracht, beweeglijkheid of het bewegen van een zenuw ten opzichte van het omliggende weefsel begeleiden. Dat laatste wordt zenuwmobilisatie genoemd.
- Het resultaat beoordelen. Kijk of de gekozen oefeningen je helpen om meer te kunnen. Blijven ze vooral pijn oproepen zonder vooruitgang, bespreek dan wat moet veranderen.
Vraag wat het doel van de oefening is, hoe je die uitvoert en welke reactie je kunt verwachten. Hoe vaak en hoe zwaar je oefent, wordt op jouw klachten en onderzoek afgestemd. Het is niet de bedoeling om door sterke pijn heen een zenuw ‘los te rekken’.
Ook massage, dry needling en tapen worden bij dit soort klachten gebruikt. Daarbij is vooral belangrijk wat er precies wordt behandeld. Zit er een passend triggerpoint, een drukgevoelige spierknoop, en veranderen je herkenbare klachten duidelijk na gerichte behandeling daarvan? Dan is dat een aanwijzing dat die spier aan de klachten bijdraagt. Ook een tijdelijke toename van juist de herkenbare klacht kan informatie geven. Dat is geen bewijs op zichzelf; gewone napijn na een behandeling zegt veel minder.
In hoofdstuk 6.3 lees je wanneer triggerpoints een passende verklaring kunnen zijn.
Blijven passende triggerpoints en klachten steeds terugkomen of is verbetering steeds maar tijdelijk? Dan is het zinvol om verder te kijken naar wat ze in stand houdt. Zijn er daarnaast sterke wisselingen of duidelijke invloed van stress, ontspanning, aandacht of afleiding, dan kan een ontregeld zenuwstelsel een belangrijke rol spelen. In hoofdstuk 8 lees je hoe een ontregeld zenuwstelsel klachten kan veroorzaken of in stand houden en welke aanwijzingen daarbij passen.
5.3 Wat kun je verwachten van een injectie?
Bij RTS wordt soms een plaatselijke injectie gegeven met een verdovend middel, eventueel gecombineerd met een corticosteroïd, een ontstekingsremmend medicijn. Onderzoek geeft echter geen sterk bewijs dat juist het corticosteroïd extra helpt.
- In een vergelijkend onderzoek bij 49 mensen met klinisch vastgesteld RTS kreeg de ene groep corticosteroïd met lidocaïne, een plaatselijke verdoving. De andere groep kreeg een placebo voor het corticosteroïd: dezelfde prik en dezelfde verdoving, maar zonder het ontstekingsremmende medicijn.
Na twee weken en drie maanden waren pijn en armfunctie in beide groepen verbeterd, maar het corticosteroïd gaf geen aantoonbaar extra voordeel. - In een onderzoek zonder vergelijkingsgroep kregen 40 mensen met klinisch vastgesteld RTS één corticosteroïdinjectie met verdoving. Na een jaar was de gemiddelde pijn gedaald van 6,0 naar 2,9 op 10: ongeveer 52% minder pijn. Bij 57% was ook de verbetering van de armfunctie groot genoeg om als duidelijk merkbaar te gelden.
Wel onderging 8 van de 35 gevolgde mensen, ongeveer 23%, later alsnog een operatie. Omdat er geen vergelijkingsgroep was en veel deelnemers ook een tennisarm hadden, weten we niet welk deel van de verbetering werkelijk door de injectie kwam.
De praktische conclusie
een injectie kan samengaan met duidelijke verbetering, maar het beste vergelijkende onderzoek laat niet zien dat het toevoegen van een corticosteroïd beter werkt dan dezelfde injectie zonder corticosteroïd. Een tijdelijke verbetering na een injectie kan daarom nuttige informatie geven, maar bewijst niet dat een plaatselijke zenuwbeknelling de enige oorzaak van de klachten is.
5.4 Wanneer wordt een operatie overwogen?
Bij een operatie voor RTS wordt geprobeerd de diepe tak van de spaakbeenzenuw meer ruimte te geven in de radiale tunnel. Dit heet een decompressie.
Een operatie kan worden overwogen wanneer de klachten goed passen bij een plaatselijk zenuwprobleem en behandeling zonder operatie onvoldoende helpt. Echte of toenemende strekzwakte vraagt een aparte medische beoordeling.
Resultaten van operaties bij mensen met vooral pijn kun je niet automatisch toepassen op iemand bij wie de zenuw de strekspieren aantoonbaar minder goed aanstuurt.
Onderzoek naar RTS-operaties laat wisselende resultaten zien:
- In het onderzoek van Lee, Azari en Jones werden 31 patiënten geopereerd. Van 25 patiënten waren gemiddeld bijna vijf jaar later nog resultaten beschikbaar. Ongeveer 67% van de operaties had een goede uitkomst: er waren nog maar weinig of geen klachten en normale activiteiten konden weer worden hervat.
Bij 15% waren de klachten wel verbeterd, maar beperkte matige pijn nog wat iemand met de arm kon doen. Bij 18% bleef de pijn zo duidelijk aanwezig dat normale activiteiten niet goed konden worden hervat. In totaal had 82% enige pijnvermindering, maar ongeveer een derde hield nog beperkingen die werk konden beïnvloeden.
De resultaten waren gunstiger wanneer RTS op zichzelf stond dan wanneer daarnaast bijvoorbeeld een andere zenuwbeknelling of tennisarm aanwezig was. - Een ouder onderzoek van Atroshi en collega’s volgde 37 geopereerde patiënten gedurende één tot vijf jaar. Ongeveer 35% meldde duidelijke pijnvermindering en ongeveer 40% was tevreden met het resultaat.
Bij 12 patiënten werden complicaties gemeld, waaronder bij twee een tijdelijke of blijvende uitval van de spaakbeenzenuw. Bij deze operaties werd ook een oudere techniek met een vettransplantaat gebruikt. De cijfers zijn daarom niet één-op-één toepasbaar op een operatie die tegenwoordig wordt aangeboden. - Patterson en collega’s onderzochten 14 streng geselecteerde patiënten met vooral pijn door een vermoedelijke beknelling van de diepe zenuwtak. Mensen met echte spieruitval, een tennisarm of andere zenuwbeknellingen waren uitgesloten.
Na de operatie was de gemiddelde pijn ongeveer gehalveerd: van 6,7 naar 3,3 op 10. Ook dagelijkse beperkingen namen af, maar verdwenen niet. Omdat de groep klein was en er geen vergelijkingsgroep zonder operatie was, kun je hieruit geen algemene herstelkans voor RTS berekenen.
De praktische conclusie:
een operatie kan bij zorgvuldig geselecteerde patiënten duidelijk helpen, maar volledig herstel is niet gegarandeerd. De resultaten lijken gunstiger wanneer het klachtenbeeld goed past bij één plaatselijk RTS-probleem en er niet meerdere andere oorzaken tegelijk spelen. De beschikbare onderzoeken zijn klein, gebruiken verschillende operatietechnieken en hebben meestal geen goede vergelijkingsgroep.
Vraag daarom aan de specialist welk probleem de operatie precies moet oplossen, hoeveel verbetering realistisch wordt verwacht en welke risico’s bij de voorgestelde techniek horen. Bespreek ook wanneer je het resultaat beoordeelt en wanneer je werk en dagelijkse activiteiten weer kunt opbouwen.
5.5 Hoe kies je een passende volgende behandeling?
Welke volgende stap past, hangt vooral af van hoe goed RTS je klachten verklaart en hoe goed de zenuw nog werkt. Bij stabiele plaatselijke pijn kan een behandeling zonder operatie passen. Bij nieuwe of toenemende strekzwakte is medische beoordeling belangrijk.
Helpt een passende behandeling onvoldoende? Kijk dan opnieuw of RTS nog steeds de beste verklaring voor het klachtenbeeld is, voordat je dezelfde behandeling blijft herhalen. In hoofdstuk 2.5 lees je hoe sterk de aanwijzingen voor RTS zijn. In hoofdstuk 6 lees je welke andere verklaringen relevant kunnen zijn als klachten blijven bestaan.
6. Wat als de klachten blijven bestaan?
Blijven klachten bestaan na rust, fysiotherapie, een injectie of een operatie, dan is de belangrijkste vraag: wat verklaart de klachten nú het beste?
De oorspronkelijke diagnose kan nog relevant zijn. Maar er kan ook iets anders of iets aanvullends spelen. Daarom worden het actuele klachtenpatroon, het lichamelijk onderzoek en de veranderingen na eerdere behandelingen opnieuw naast elkaar gelegd.
6.1 Past de oorspronkelijke diagnose nog?
Maak eerst onderscheid tussen klachten die nooit zijn verminderd, klachten die tijdelijk verbeterden en later terugkwamen, en nieuwe klachten die pas na een behandeling ontstonden. Die verschillende verlopen kunnen een andere beoordeling vragen.
Na een operatie kan de specialist onderzoeken of er nog een plaatselijk zenuwprobleem is, of de zenuw eerder beschadigd is geraakt en of een andere verklaring, zoals een tennisarm of een zenuwprobleem vanuit de nek, beter bij de resterende klachten past. Alleen het feit dat er is geopereerd, vertelt niet of alle klachten uit dezelfde plek kwamen.
Ook triggerpoints kunnen een deel van de pijn verklaren wanneer het spier- en klachtenpatroon daarbij past. In hoofdstuk 6.3 lees je wanneer triggerpoints een passende verklaring kunnen zijn.
Is er na passende medische beoordeling geen betere lichamelijke verklaring en zijn er meerdere positieve aanwijzingen, zoals sterke wisselingen in de klacht intensiteit en duidelijke invloed van stress, ontspanning of afleiding? Dan kan een ontregeld zenuwstelsel een belangrijke of zelfs de meest waarschijnlijke oorzaak van de aanhoudende klachten zijn.
Gratis e-book: verder kijken bij blijvende klachten
Blijven de klachten bestaan en is niet duidelijk of RTS ze nog volledig verklaart? In ons gratis e-book over de verborgen oorzaak van chronische klachten lees je hoe een ontregeld zenuwstelsel klachten kan blijven oproepen, welke signalen daarbij passen en welke aanpak kan helpen.
6.2 Welke andere klachten kunnen erop lijken?
Een arts kijkt niet alleen naar de naam van een aandoening, maar ook naar de plek van de klachten, wat ze oproept en welke bewegingen of gevoelsgebieden veranderd zijn. Dat helpt om de volgende mogelijkheden uit elkaar te houden.
Tennisarm
Bij een tennisarm ligt de gevoeligste plek vaak rond de peesaanhechting op de buitenste elleboogknobbel. Bij RTS ligt die plek meestal wat verder naar beneden in de onderarm. Beide kunnen pijn geven bij stevig vastpakken of bewegingen tegen weerstand.
De klachten kunnen ook samen voorkomen. In het eerder besproken injectieonderzoek van Marchese hadden 31 van de veertig deelnemers naast RTS ook een tennisarm. Dat maakt duidelijk waarom één diagnose niet altijd de volledige klacht verklaart.
Een zenuwprobleem vanuit de nek
Een zenuwwortel in de nek kan pijn of krachtsverlies geven dat op klachten rond de radiale tunnel lijkt. Vooral C6 en C7 zijn hierbij relevant. Een probleem bij C6 kan pijn geven aan de buitenkant van de onderarm. Bij C7 kan ook het strekken van de vingers minder krachtig worden.
Een hernia C6-C7 kan bijvoorbeeld de C7-zenuwwortel beïnvloeden. Ook een stenose in de nek kan ter hoogte van C5-C6 of C6-C7 een zenuwwortel vernauwen. De arts kijkt daarom niet alleen naar de pijnplek, maar ook naar nek- en schouderklachten, gevoel, reflexen en welke spieren precies minder kracht hebben.
Een andere hand- of elleboogzenuw
Tintelingen of gevoelsverlies vooral in de pink en een deel van de ringvinger passen eerder bij een probleem met de elleboogzenuw dan bij alleen het pijnlijke RTS-beeld. Bij carpaal tunnel syndroom gaat het juist om de middelste handzenuw bij de pols, met een ander gevoelsgebied. Lees meer over cubitaal tunnel syndroom.
Deze aandoeningen vragen hun eigen onderzoek. Ze worden niet vastgesteld op basis van één tintelende vinger. De bedoeling is om te beoordelen welke verklaring bij welke klacht past, ook wanneer er meer dan één probleem speelt.
Een plaatselijk probleem van een pees, spier of gewricht
Plaatselijke pijn, stijfheid of een beperkte beweging kan aanleiding zijn om ook het ellebooggewricht, een pees of spieren te onderzoeken. Een pijnlijke plek hoeft niet uit een zenuw te komen, ook wanneer de pijn scherp of uitstralend aanvoelt.
Triggerpoints zijn één van de mogelijke spierverklaringen. Hieronder lees je wanneer zo’n patroon bij de klachten kan passen. Voor een breder overzicht kun je ook onze uitleg over pijn in de onderarm lezen.
6.3 Kunnen triggerpoints onderarmpijn geven die op RTS lijkt?
Triggerpoints zijn drukgevoelige plekken in spieren, ook wel spierknopen genoemd. Ze kunnen pijn op de plek zelf geven, maar ook pijn die je verderop voelt. Daardoor kan een klacht uit een spier op een zenuwprobleem lijken.
Het Handboek triggerpoint-therapie van Clair en Amber Davies beschrijft verschillende patronen die bij pijn aan de buitenkant van de elleboog en onderarm relevant kunnen zijn. Het gaat om klinische handboekbeschrijvingen. Welke spier bij jouw klachten past, wordt bepaald door de plaats van de pijn en wat gericht onderzoek oproept.
Spieren rond de buitenkant van de elleboog en onderarm
De supinator, waarmee je de handpalm omhoog draait, kan volgens het handboek pijn geven aan de buitenkant van de elleboog en diep bovenin de onderarm. Dat kan op het pijngebied van RTS lijken.
De brachioradialis, de bovenarm-spaakbeenspier aan de duimzijde van de onderarm, kan pijn rond de buitenkant van de elleboog en in de onderarm geven. Soms loopt die pijn verder naar de ruimte tussen duim en wijsvinger.
Ook de lange polsstrekker aan de duimzijde, de extensor carpi radialis longus, kan een passend pijnpatroon geven naar de buitenkant van de elleboog, onderarm, pols of handrug. Bij een wat andere klachtenverdeling kunnen de korte polsstrekker, vingerstrekkers of de kleine elleboogspier worden meegenomen.
Dat zijn verschillende spierpatronen. Het is niet de bedoeling om iedere genoemde spier automatisch als oorzaak aan te wijzen.
De achterkant van de bovenarm
De triceps is de grote spier aan de achterkant van de bovenarm. Het handboek beschrijft verschillende triggerpoints met verschillende uitstralingsgebieden. Twee daarvan kunnen pijn geven aan de buitenkant van de elleboog; één van die patronen loopt ook verder de onderarm in.
Een pijnlijke spierplek hoger in de arm kan dus relevant zijn, ook wanneer je de meeste pijn bij de elleboog voelt. Andere triggerpoints in dezelfde spier hebben weer een ander pijngebied. Die worden niet zonder passende klachten overgenomen.
Voor een breder overzicht kun je ook onze uitleg over triggerpoints in de arm, elleboog, hand en vingers lezen.

Nek en schouderspieren bij een breder klachtenpatroon
Zijn er ook duidelijke nek-, schouder- of bovenarmklachten, dan kunnen verder gelegen spieren belangrijk zijn. Denk aan de schuine halsspieren of spieren rond het schouderblad. Een triggerpoint behandelaar kan kijken of je daar ook triggerpoints hebt.
Bij uitsluitend plaatselijke onderarmpijn is het niet nodig om op voorhand een lange lijst nek- en schouderspieren als oorzaak te behandelen. De klachtenverdeling en een herkenbare reactie bij onderzoek bepalen wat relevant is.
Voor een breder overzicht kun je ook onze uitleg over triggerpoints in de schouder en triggerpoints in de nek lezen.

In onderstaande video wordt eenvoudig uitgelegd hoe triggerpoints ontstaan en waarom ze klachten op een andere plek in het lichaam kunnen veroorzaken.
Wat maakt een triggerpoint een aannemelijke verklaring?
Roept gerichte druk op een passend triggerpoint jouw herkenbare klacht op, dan is dat een sterke klinische aanwijzing dat die spierplek meespeelt. De volledige pijn hoeft daarbij niet precies volgens een tekening uit te stralen. Alleen algemene gevoeligheid op een willekeurige plek is een minder sterke aanwijzing.
Verminderen de herkenbare klachten na een gerichte behandeling van dat triggerpoint, ook als dat tijdelijk is? Dan is dat opnieuw een sterke klinische aanwijzing dat die spierplek bijdraagt aan de klachten. Blijvende verbetering versterkt die aanwijzing. Alleen pijn opwekken tijdens een behandeling is geen doel op zichzelf.
Dit zijn aanwijzingen uit het patroon en de behandelreactie. Ze bewijzen niet dat een zenuw anatomisch bekneld is of dat triggerpointbehandeling bij iedereen met RTS werkt.
Blijven de spierknopen en klachten terugkomen, dan is het zinvol om te bekijken wat ze in stand houdt. Zijn er ook duidelijke veranderingen door stress, ontspanning of afleiding en past geen andere medische verklaring beter? Dan kan een ontregeld zenuwstelsel een belangrijke rol spelen.
Druk niet diep op het verloop van een zenuw om zelf een beknelling te proberen op te lossen. Bij twijfel over een spierknoop of bij gevoelsverlies of strekzwakte is gericht onderzoek verstandiger. Voor meer uitleg over spierknopen en uitstraling kun je ook lezen over triggerpoints in arm en hand.
7. Komt radiaal tunnelsyndroom door werk of overbelasting?
Werk kan een rol spelen bij klachten rond de radiale tunnel. Vooral werk waarbij je veel kracht zet of langdurig kracht vasthoudt, is onderzocht. Hoe groot de kans op RTS daardoor wordt, is uit het beschikbare RTS-onderzoek niet betrouwbaar af te leiden.
Veel met je handen werken of dagelijks achter een computer zitten, betekent echter niet automatisch dat je werk de oorzaak van je klachten is.
Om dat goed te beoordelen, is het belangrijk om vier vragen uit elkaar te houden:
- Hangt de belasting samen met een grotere kans op RTS?
- Lokt een bepaalde taak klachten uit die er al zijn?
- Is de diepe tak van de spaakbeenzenuw daadwerkelijk bekneld?
- Wat houdt de klachten op dit moment in stand?
7.1 Hoe groot is de rol van zwaar en herhalend werk?
Er is weinig onderzoek naar werkbelasting bij RTS. Roquelaure en collega’s vergeleken 21 werknemers met RTS met 21 vergelijkbare werknemers zonder die diagnose. Zij werkten in drie industriële bedrijven.
Zware krachtbelasting en langdurig kracht vasthouden kwamen vaker voor bij de werknemers met RTS. De groep was klein en de schattingen waren onzeker. Uit deze vergelijking kun je niet berekenen hoeveel van de 1.000 werknemers door een bepaalde belasting RTS krijgen.
Onderzoek naar andere zenuwbeknellingen helpt om zulke verbanden in perspectief te zetten. Bij de volgende cijfers gaat het om problemen van de elleboogzenuw, niet om RTS. Een Zweeds onderzoek onder 229.689 mannelijke bouwvakkers registreerde 555 operaties aan die zenuw in de periode 2001–2013. Krachtig grijpen hing samen met een grotere kans op een operatie.
In die hele periode ging het om ongeveer 2,4 operaties per 1.000 werknemers. Ruim 997 van de 1.000 werknemers kregen dus geen operatie aan de elleboogzenuw. Dat betekent niet dat zij allemaal klachtenvrij waren: het onderzoek telde operaties, niet iedere pijnklacht.
Een Fins onderzoek onder 6.325 werkenden vond eveneens een verband tussen zwaar werk of trillingen en later in het ziekenhuis vastgestelde problemen van de elleboogzenuw. Gemiddeld ging het om ongeveer 5 nieuwe ziekenhuisdiagnoses per 10.000 werkenden per jaar. Dat was het gemiddelde van de hele onderzoeksgroep, niet de persoonlijke kans bij zwaar werk.
Een verband met zwaar werk betekent dus niet dat de meeste werknemers zo’n zenuwprobleem krijgen. De absolute aantallen maken dat verschil zichtbaar. Voor RTS ontbreken in de besproken werkstudie zulke betrouwbare absolute risicocijfers.
Voor jou betekent dit: zwaar en sterk herhalend werk kan relevant zijn, maar je beroep is geen diagnose. Onderzoek naar werkbelasting geeft ook geen automatische verklaring voor klachten die maanden of jaren blijven bestaan.
Twee mensen kunnen hetzelfde werk doen en toch verschillende klachten krijgen. Daarom wordt ook gekeken naar eerdere verwondingen, plaatselijke afwijkingen en het verloop van de klachten. In hoofdstuk 3 lees je welke mogelijke oorzaken bij RTS worden beoordeeld.
Je beroep alleen bewijst daarom niet dat RTS jouw huidige klachten verklaart. Ook bewijst het niet dat je werk de klachten in stand houdt. Daarvoor moet het totale beeld passen, waaronder de plaats en het verloop van de klachten, het lichamelijk onderzoek en zo nodig aanvullend onderzoek.
7.2 Kan typen of muisgebruik RTS veroorzaken?
De kleine industriële RTS-studie beantwoordt niet of gewoon typen of muisgebruik RTS veroorzaakt. Over computerwerk is meer onderzoek beschikbaar bij carpaal tunnel syndroom, afgekort CTS: een andere zenuwbeknelling, bij de pols. Dat onderzoek gebruiken we hier als vergelijking, niet als RTS-risicocijfer.
Een analyse waarin twaalf onderzoeken naar computergebruik en CTS zijn samengevoegd laat een wisselend beeld zien. Gewoon computer- en toetsenbordgebruik was niet duidelijk verbonden met een grotere kans op CTS. Bij zeer intensief computergebruik, en vooral bij veel muisgebruik, kwam CTS wel iets vaker voor.
In onderzoek waarin CTS werd vastgesteld op basis van klachten en zenuwgeleidingsonderzoek kregen jaarlijks ongeveer 3 tot 9 van de 1.000 intensieve computergebruikers CTS. Dat betekent dat meer dan 99% in dat jaar geen CTS ontwikkelde.
Een groot onderzoek onder ruim 5.000 voornamelijk kantoorwerkers vond bij meer uren toetsenbordgebruik ook geen duidelijke toename van CTS-achtige klachten. Bij veel muisgebruik kwamen zulke klachten wel vaker voor. CTS was daarbij echter niet bij iedereen met een zenuwtest vastgesteld.
Een prettige werkplek kan helpen om onnodige belasting te verminderen. Een Cochrane-overzicht van onderzoeken naar ergonomische hulpmiddelen bij CTS vond echter geen sterk bewijs dat ergonomische toetsenborden bestaande CTS-klachten duidelijk beter verminderen dan gewone toetsenborden.
Alleen het feit dat je dagelijks typt of een muis gebruikt, is dus niet genoeg om je klachten aan een zenuwbeknelling toe te schrijven. Ook bewijst het ontstaan of toenemen van onderarmklachten tijdens computerwerk niet dat die activiteit de spaakbeenzenuw beschadigt.
Als de zenuw daadwerkelijk bekneld of gevoelig is, kunnen typen en muisgebruik de klachten wel uitlokken of versterken. Dat een activiteit klachten oproept, is echter iets anders dan aantonen dat die activiteit de oorzaak van de klachten is.
Ook tijdelijke verbetering door een andere muis, houding of werkplek bewijst niet automatisch dat de oude werkhouding de oorzaak was. Het totale klachtenbeeld blijft bepalend.
Bij bredere werkgerelateerde arm- en handklachten lees je meer over RSI-klachten. Voor klachten die vooral met computer- of muisgebruik in verband worden gebracht, lees je ook onze uitleg over een muisarm.
7.3 Helpt rust niet? Wanneer is overbelasting niet het hele verhaal?
Rust kan nuttig zijn wanneer een arm tijdelijk te zwaar is belast. Tijdelijk minder belasten kan geïrriteerd weefsel de kans geven om te herstellen.
Blijven de klachten ondanks voldoende rust weken of maanden bestaan? Dan wordt het minder aannemelijk dat alleen overbelasting de klachten nog verklaart.
Het is dan belangrijk om eerst te beoordelen of een probleem rond de radiale tunnel, een andere zenuwbeknelling of een andere medische oorzaak goed genoeg verklaart waarom de klachten blijven bestaan. Daarbij wordt gekeken naar het klachtenpatroon, lichamelijk onderzoek, het verloop van de klachten en zo nodig aanvullend onderzoek.
Blijft daarna een duidelijke verklaring ontbreken, dan is het belangrijk om ook naar andere mogelijkheden te kijken. Triggerpoints kunnen bijvoorbeeld pijn en tintelingen geven of versterken. In hoofdstuk 6.3 lees je welke klachtenpatronen daarbij passen.
Ook een ontregeld zenuwstelsel kan een rol spelen wanneer klachten blijven bestaan nadat de oorspronkelijke belasting al langere tijd is verminderd.
Een ontregeld zenuwstelsel kan typen of een andere vaak herhaalde beweging als gevaar hebben leren herkennen en daarop met pijn of tintelingen reageren.
Dat wordt vooral relevant wanneer klachten sterk wisselen of duidelijk veranderen door stress, ontspanning of afleiding. Ook veel aandacht voor de klachten, bijvoorbeeld steeds controleren wat je voelt, kan een aanwijzing zijn.
7.4 Zijn je armen kwetsbaar voor herhaalde belasting?
Onze armen, spieren en zenuwen zijn gemaakt om te bewegen, kracht te leveren en zich aan belasting aan te passen. Ze zijn niet onverwoestbaar. Een ongeval, duidelijke zenuwbeknelling of langdurige zeer hoge belasting kan lichamelijke problemen veroorzaken.
Maar het andere uiterste klopt evenmin. Veel bewegen, herhalen of een minder goede werkhouding leidt niet vanzelf tot blijvende schade.
De vraag is dus niet alleen of zwaar werk de kans op een zenuwprobleem kan vergroten. Het gaat ook om de aanname dat normaal bewegen, typen of herhalen ons snel overbelast en daardoor langdurige hand-, arm- of andere klachten veroorzaakt.
Als veel of herhaald belasten op zichzelf voldoende verklaart waarom RTS en andere overbelastingsklachten langdurig blijven bestaan — dus los van andere factoren en verschillen tussen mensen — zou je verwachten dat:
- bijna iedereen met jarenlang zwaar en herhalend werk uiteindelijk klachten krijgt;
- mensen die voorzichtiger en ergonomischer werken duidelijk minder klachten krijgen;
- klachten na voldoende rust en ergonomische aanpassingen meestal verdwijnen;
- bevolkingen met veel zwaarder lichamelijk werk ook veel meer langdurige klachten hebben;
- samenlevingen vóór de twintigste eeuw, met veel lichamelijke arbeid, weinig ergonomische kennis en minder behandelmogelijkheden, ernstig ontwricht zouden zijn geraakt door langdurige overbelastingsklachten.
Dat eenvoudige één-op-éénpatroon zien we in de praktijk niet terug. Veel of herhaald belasten leidt niet vanzelf tot blijvende klachten, en rust of ergonomische aanpassingen lossen bestaande klachten niet automatisch op.
Dat betekent niet dat lichamelijke belasting nooit een rol speelt. Wel is alleen “te veel”, “verkeerd” of “niet ergonomisch genoeg” bewegen onvoldoende om iedere langdurige klacht te verklaren. Bij RTS is belangrijker of het totale klachtenpatroon en het lichamelijk onderzoek daadwerkelijk passen bij een probleem rond de radiale tunnel.
Blijven klachten bestaan ondanks rust of minder belasting? Kijk dan opnieuw wat de klachten het beste verklaart of in stand houdt. Past een plaatselijke zenuw- of andere lichamelijke verklaring onvoldoende en zijn er meerdere positieve aanwijzingen, zoals sterke wisselingen of duidelijke invloed van stress, ontspanning of afleiding? Dan kan een ontregeld zenuwstelsel een belangrijke rol spelen.
8. Wanneer wijzen onderarmklachten op een ontregeld zenuwstelsel?
Soms verklaart radiaal tunnelsyndroom het totale klachtenbeeld niet voldoende. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer klachten niet goed bij RTS passen of ondanks een passende behandeling blijven bestaan.
Zijn er daarnaast positieve aanwijzingen, zoals sterk wisselende klachten of duidelijke veranderingen door stress, ontspanning of afleiding, en past geen andere medische verklaring beter? Dan kan een ontregeld zenuwstelsel een belangrijke of zelfs de meest waarschijnlijke oorzaak zijn.
In dit hoofdstuk lees je wat een ontregeld zenuwstelsel is, welke aanwijzingen daarbij passen en wanneer deze verklaring relevant kan zijn.
8.1 Wat is een ontregeld zenuwstelsel en wat is TMS?
Pijn en andere lichamelijke klachten hebben een beschermende functie. Bij een verwonding kan pijn bijvoorbeeld waarschuwen dat er iets beschadigd is. Maar de hoeveelheid pijn laat niet één-op-één zien hoeveel schade er in het lichaam aanwezig is.
Het brein en zenuwstelsel verwerken niet alleen signalen uit het lichaam. Ook eerdere ervaringen, verwachtingen en de situatie waarin je je bevindt spelen mee bij de beoordeling of iets veilig of bedreigend is.
Bij langdurige klachten kan dit alarmsysteem te gevoelig worden. Pijn, vermoeidheid, tintelingen, een branderig gevoel of spierspanning kunnen dan blijven ontstaan of sterker worden, terwijl voortdurende weefselschade of druk op een zenuw het klachtenbeeld niet voldoende verklaart.
De klachten zijn daarbij echt en ontstaan niet bewust. Met een ontregeld zenuwstelsel bedoelen we dat het brein en zenuwstelsel te snel of te sterk reageren op signalen die als bedreigend worden ingeschat.
Revalidatiearts John Sarno beschreef dit als Tension Myositis Syndrome (TMS). Onder anderen Howard Schubiner, David Schechter en Alan Gordon ontwikkelden deze benadering verder. Pijnonderzoeker Lorimer Moseley legt uit hoe pijn ons tegen gevaar beschermt.
In de medische en wetenschappelijke literatuur kom je ook termen tegen als nociplastische pijn, neuroplastische pijn en centrale sensitisatie. Deze begrippen betekenen niet precies hetzelfde, maar hebben gemeen dat veranderingen in de verwerking van signalen door het zenuwstelsel een belangrijke rol kunnen spelen.
In dit artikel gebruiken we vooral de begrijpelijke term ontregeld zenuwstelsel.
In onderstaande video legt dr. Schubiner uit hoe een ontregeld zenuwstelsel kan ontstaan en waarom klachten daardoor kunnen blijven bestaan terwijl voortdurende lichamelijke schade het klachtenbeeld niet voldoende verklaart.
De bouwvakker met de spijker door zijn schoen
Een Engelse bouwvakker sprong van een steiger en landde op een spijker die dwars door zijn schoen ging. Hij schreeuwde van de pijn en kreeg sterke pijnstilling. Toen de schoen werd verwijderd, bleek de spijker tussen zijn tenen door te zijn gegaan. Zijn voet was niet verwond.
De pijn was echt, maar de verwachte schade was er niet. Wat hij zag en dacht dat er was gebeurd, kon dus een hevige pijnreactie oproepen.
De klinische gids van Clarke, Schechter en Schubiner bespreekt deze casus en verwijst naar het oorspronkelijke verslag van Fisher, Hassan en O’Connor uit 1995.

Het rubberen-armexperiment
Bij het rubberen-armexperiment wordt de echte arm uit het zicht gelegd en ligt een rubberen arm zichtbaar op tafel. Als beide tegelijk worden aangeraakt, kan het voelen alsof de rubberen arm bij het eigen lichaam hoort. Het experiment laat zien dat de waarneming van je eigen lichaam kan veranderen door wat je ziet en voelt. Een bedreiging van die rubberen arm kan dan een echte pijnreactie oproepen.
In de video hieronder zie je hoe dit experiment werkt en wat het laat zien over de invloed van verwachting op pijn.
Verwachting kan pijn veranderen
Pijn en schade zijn dus niet hetzelfde. Dat betekent niet dat schade nooit belangrijk is, maar wel dat het brein ook verwachtingen en eerdere ervaringen meeweegt.
Wil je uitgebreider lezen hoe zo’n zenuwstelsel klachten kan veroorzaken en in stand houden? In ons gratis e-book leggen we dit stap voor stap uit.
8.2 Welke aanwijzingen passen bij een ontregeld zenuwstelsel?
Dat een ontregeld zenuwstelsel klachten kan veroorzaken, betekent nog niet dat dit ook jouw klachten verklaart. Daarom kijken we niet alleen naar wat medisch onderzoek níét laat zien, maar vooral naar positieve aanwijzingen in het patroon van de klachten.
De klinische gids van Clarke, Schechter en Schubiner beschrijft hoe je dit klachtenpatroon aan positieve kenmerken kunt herkennen. De aanwijzingen worden sterker wanneer meerdere van de volgende patronen samenkomen:
- De klachten wisselen in intensiteit, verplaatsen of verspreiden zich. Soms zijn ze sterk aanwezig en op andere momenten veel minder, zonder duidelijke verandering in lichamelijke belasting.
- Stress of emoties verergeren je klachten. Wanneer je ontspannen of afgeleid bent, verminderen ze juist, bijvoorbeeld tijdens een hobby of een prettig gesprek.
- De klachten beginnen al vóór een activiteit of verschillen sterk tussen situaties met ongeveer dezelfde belasting. Verwachting of de situatie maakt dus verschil.
- Veel controleren of steeds letten op wat je qua klachten voelt, gaat samen met meer klachten.
- Je bent bang dat bewegen of belasten je arm verder beschadigt. Daardoor ga je bewegingen vermijden of je arm steeds meer beschermen.
- De klachten zijn ontstaan of toegenomen tijdens of na een stressvolle periode. Ook in het verleden had je soms langdurige klachten zonder duidelijke oorzaak.
- Eerdere behandelingen helpen steeds maar tijdelijk of het resultaat past niet bij blijvende druk op de zenuw.
- Triggerpoints roepen je herkenbare klachten op. Gerichte behandeling verandert de klachten, maar de triggerpoints en klachten blijven terugkomen.
Niet ieder kenmerk hoeft aanwezig te zijn. Past geen andere medische verklaring beter en komen meerdere positieve aanwijzingen samen? Dan kan een ontregeld zenuwstelsel de meest waarschijnlijke oorzaak zijn.
Ontdek of een ontregeld zenuwstelsel bij jouw klachten meespeelt
Met de gratis pijntest krijg je een eerste indicatie van de mate waarin een ontregeld zenuwstelsel bij jouw klachten meespeelt.
8.3 Hoe kan een ontregeld zenuwstelsel klachten in stand houden?
Wanneer het zenuwstelsel een beweging of situatie als bedreigend heeft leren herkennen, kan het daarop steeds sneller reageren. Zo kan bijvoorbeeld typen, autorijden of een bepaalde beweging klachten gaan oproepen, ook wanneer die activiteit op zichzelf geen schade veroorzaakt.
Dit gebeurt niet bewust. Het zenuwstelsel heeft als het ware geleerd: hier moet ik voor oppassen. Verwachting, angst en eerdere ervaringen kunnen die beschermingsreactie vervolgens versterken.
De 9 F’s die herstel in de weg kunnen zitten
Ook de manier waarop je op klachten reageert, kan het alarmsysteem onbedoeld actief houden. Denk aan voortdurend letten op de klachten, bang zijn dat je je arm verder beschadigt, steeds een nieuwe oplossing zoeken of de klachten proberen weg te krijgen.
De 9 F’s zijn geen aparte oorzaken of diagnoses. Ze laten zien welke gedachten, emoties en gedragingen het gevoel van dreiging kunnen blijven versterken.

Zo kan een vicieuze cirkel ontstaan
Klachten kunnen onzekerheid of angst oproepen. Daardoor ga je er meer op letten, activiteiten vermijden, je lichaam testen of steeds zoeken naar een oplossing. Voor het zenuwstelsel kan dat opnieuw bevestigen dat er iets mis of gevaarlijk is.
Het alarmsysteem blijft daardoor actief en de klachten kunnen sterker worden. Dat zorgt weer voor meer onzekerheid en beschermgedrag. Zo kunnen klachten, onzekerheid, gedrag en het alarmsysteem van het zenuwstelsel elkaar blijven beïnvloeden.

Het herkennen van deze cirkel kan een belangrijke eerste stap zijn om hem te doorbreken.
Hoe dit er in de praktijk uit kan zien
Mariët had ongeveer een jaar last van haar nek, schouders en ellebogen. Verschillende behandelingen en medicijnen hadden de klachten niet weggenomen. Tuinieren, schilderen en naaien lukten niet meer goed of gaven achteraf klachten. Haar verhaal gaat over deze bredere klachten; er was geen bevestigde RTS-diagnose.
Ze begon met het programma van BreinMedicijn en nam de tijd om de uitleg te herhalen en haar manier van omgaan met klachten te veranderen. Ook de PRI-boeken van Ingeborg Bosch hielpen haar om terugkerende patronen te begrijpen.
Volgens haar eigen verhaal verdwenen de klachten grotendeels en kon ze weer volledig werken en haar hobby’s oppakken. Soms had ze nog een terugval.
Lees het volledige herstelverhaal van Mariët
Ontdek hoe deze vicieuze cirkel werkt
In de gratis online training van BreinMedicijn leggen we uit hoe een ontregeld zenuwstelsel klachten kan blijven versterken. Je ontdekt welke onderdelen van deze vicieuze cirkel je bij jezelf kunt herkennen. Ook leggen we uit wat je kunt doen om dit patroon te gaan doorbreken.
8.4 Wat laat onderzoek zien en wanneer past BreinMedicijn?
Onderzoek laat zien dat artsen niet alleen hoeven te kijken naar wat de klachten níét verklaart. Ze kunnen ook letten op kenmerken die erop wijzen dat een ontregeld zenuwstelsel een belangrijke rol speelt.
Een ontregeld zenuwstelsel kan aan kenmerken worden herkend
De Amerikaanse internist en onderzoeker Howard Schubiner en zijn collega’s onderzochten 222 mensen met langdurige rug- of nekpijn. Bij iedere deelnemer werd lichamelijk onderzoek gedaan en werden beschikbare scans beoordeeld. Bij 97,7% was op de scans minstens één afwijking aan de wervelkolom te zien.
Bij 88,3% vonden de onderzoekers de zichtbare afwijkingen niet de beste verklaring voor de pijn. Het klachtenpatroon - bijvoorbeeld wisselende of verspreidende pijn en verergering door stress - paste volgens hun klinische beoordeling beter bij een ontregeld zenuwstelsel.
Dit was een beoordeling van rug- en nekpijn in één kliniek, geen onderzoek naar hoeveel mensen met RTS een ontregeld zenuwstelsel hebben. Andere, onafhankelijke onderzoekers moeten nog nagaan hoe goed deze manier van beoordelen werkt.
Ook langdurige pijn kan sterk verminderen
Een onderzoek naar Pain Reprocessing Therapy (PRT) volgde 151 volwassenen met langdurige rugpijn waarbij geen lichamelijke oorzaak de pijn voldoende verklaarde. Bij PRT leren mensen om pijnsignalen minder als teken van schade of gevaar te zien en bewegingen weer als veilig te ervaren. De deelnemers hadden gemiddeld ongeveer tien jaar pijn.
Pijnvrij of vrijwel pijnvrij betekende hier een pijnscore van 0 of 1 op een schaal van 0 tot 10.
Na vier weken was:
- 66% van de PRT-groep pijnvrij of vrijwel pijnvrij: 33 van de 50 deelnemers;
- 20% van de groep die wist dat zij een nepbehandeling (placebo) kreeg, pijnvrij of vrijwel pijnvrij: 10 van de 51 deelnemers;
- 10% van de groep met gebruikelijke zorg pijnvrij of vrijwel pijnvrij: 5 van de 50 deelnemers.
De verbetering bleef na één jaar grotendeels bestaan.

Pain Reprocessing Therapy: drie groepen in het onderzoek met 151 deelnemers. Bron: Ashar en collega’s (2021).
Dit onderzoek ging over langdurige rugpijn, niet over RTS. Het onderzoek laat wel zien dat langdurige klachten sterk kunnen verminderen wanneer een ontregeld zenuwstelsel een belangrijke rol speelt en de aanpak daarop gericht is.
Het persoonlijke verhaal van Mariët laat zien hoe zo’n andere kijk op klachten in de praktijk kan uitwerken. Haar ervaring is geen bewijs voor een vast herstelpercentage bij RTS.
Pain Reprocessing Therapy is één van de methoden die binnen het behandelprogramma van BreinMedicijn wordt gebruikt.
Wanneer past BreinMedicijn?
BreinMedicijn past vooral wanneer je klachten medisch voldoende zijn onderzocht en er aanwijzingen zijn dat een ontregeld zenuwstelsel de klachten veroorzaakt of in stand houdt.
De gratis pijntest helpt je te onderzoeken of er bij jouw klachten aanwijzingen zijn voor een ontregeld zenuwstelsel.
Je leert binnen het behandelprogramma onder andere anders reageren op pijn en tintelingen, angst voor beschadiging verminderen, beschermgedrag loslaten en aangeleerde triggers doorbreken.
In hoofdstuk 9 lees je welke vervolgstap in jouw situatie het meest logisch is.
9. Wat is de verstandigste volgende stap?
De beste vervolgstap hangt vooral af van wat je klachten waarschijnlijk veroorzaakt. Daarbij is belangrijk hoe goed radiaal tunnelsyndroom je klachten verklaart en of er aanwijzingen zijn voor een andere oorzaak.
Gebruik de volgende situaties als praktische leidraad:
- Gaan gevoel of kracht duidelijk achteruit, of kun je je vingers of duim niet meer goed strekken? Laat je dan medisch beoordelen. Blijvend gevoelsverlies, duidelijk minder kracht of andere toenemende zenuwuitval vraagt om medische aandacht.
- Passen je klachten duidelijk bij RTS en zijn ze mild of stabiel? Dan kunnen belasting aanpassen, fysiotherapie volgen of een passende brace proberen zinvolle eerste stappen zijn. Een injectie vraagt een afweging van de beperkte onderzoeksresultaten. Bij aanhoudende klachten kan een specialist beoordelen of een operatie past. In hoofdstuk 5 lees je wat deze behandelingen kunnen opleveren.
- Verklaart RTS maar een deel van je klachten of blijven de klachten na behandeling bestaan? Dan is het verstandig om opnieuw te kijken naar mogelijke zenuwdruk, een andere zenuw, een probleem rond de elleboog of onderarm en triggerpoints. Zijn onderzoeken, diagnoses en wat er na behandelingen veranderde moeilijk met elkaar te rijmen? Dan kan onze 360° Klachtenanalyse helpen om de verschillende mogelijke verklaringen naast elkaar te zetten.
- Zijn er meerdere aanwijzingen voor een ontregeld zenuwstelsel? Dan is het belangrijk om ook deze verklaring serieus te nemen. De gratis pijntest helpt je te onderzoeken of zulke aanwijzingen bij jouw klachten aanwezig zijn. Past dit patroon duidelijk, dan kan het behandelprogramma van BreinMedicijn een logische vervolgstap zijn.
Ben je al bezig met het herstellen van een ontregeld zenuwstelsel, maar blijft je herstel steken? Dan kan de BreinMedicijn Herstelanalyse helpen om te onderzoeken wat je herstel op dit moment belemmert.
De Herstelanalyse gaat dus over wat herstel belemmert; de 360° Klachtenanalyse richt zich op mogelijke verklaringen voor de klachten.
Blijven je klachten bestaan en past een ontregeld zenuwstelsel bij jouw situatie?
Dan heeft het weinig zin om uitsluitend de pijnlijke plek in de arm te blijven behandelen. Het behandelprogramma van BreinMedicijn richt zich op klachten die door een ontregeld zenuwstelsel worden veroorzaakt of in stand gehouden.
Op de programmapagina vind je ook de mogelijkheid om met de proefversie te starten.
10. Veelgestelde vragen over radiaal tunnelsyndroom
Is een operatie nodig voor het radiaal tunnelsyndroom?
Niet automatisch. Bij stabiele pijn zonder toenemende spieruitval worden meestal eerst mogelijkheden zonder operatie besproken. Een specialist beoordeelt hoe goed een plaatselijk zenuwprobleem de klachten verklaart en welke verbetering een operatie kan geven.
Nieuwe of toenemende strekzwakte vraagt tijdige medische beoordeling. In hoofdstuk 5.4 lees je wanneer een operatie wordt overwogen en wat de onderzoeken laten zien.
Hoe weet je of je radiaal tunnelsyndroom hebt?
Een arts kijkt naar de pijnplek, het verloop van de klachten, bewegingen die de bekende pijn oproepen en de kracht en het gevoel in je arm en hand. Een losse thuistest bewijst RTS niet. Een normale zenuwtest kan voorkomen bij het pijnlijke RTS-beeld. In hoofdstuk 2 lees je hoe klachten en onderzoeksuitslagen samen worden beoordeeld.
Welke oefeningen zijn geschikt bij radiaal tunnelsyndroom?
Er is geen standaard oefenschema waarvan overtuigend is aangetoond dat het RTS oplost. Een fysiotherapeut kan oefeningen afstemmen op je klachten, kracht en bewegingen die je weer wilt kunnen doen.
Het doel is niet de zenuw zo hard mogelijk te rekken. In hoofdstuk 5.2 lees je welke doelen oefeningen kunnen hebben en wanneer je de aanpak opnieuw beoordeelt.
Wat is het verschil tussen RTS en een tennisarm?
Bij een tennisarm ligt de pijn meestal rond de peesaanhechting op de buitenste elleboogknobbel. Bij RTS ligt de drukgevoelige plek vaak enkele centimeters lager in de onderarm.
Beide kunnen pijn geven bij grijpen en tillen, en ze kunnen samen voorkomen. Alleen de pijnplek geeft daarom geen zekere diagnose. In hoofdstuk 6.2 lees je welke andere klachten op RTS kunnen lijken.
Hoe lang duurt herstel van radiaal tunnelsyndroom?
Er is geen betrouwbare vaste hersteltermijn voor radiaal tunnelsyndroom. Onderzoek volgt vooral mensen ná een behandeling; daardoor weten we niet goed hoeveel mensen vanzelf herstellen of hoe lang onbehandelde RTS-klachten gemiddeld duren.
Klachten kunnen weken, maanden of langer aanhouden. De duur alleen zegt niet dat de zenuw steeds verder beschadigt. Belangrijker is of de pijn afneemt, je je arm weer beter kunt gebruiken en je vingers en duim normaal kunt blijven strekken.
Blijven de klachten bestaan of helpt een behandeling onvoldoende? Laat dan opnieuw beoordelen of RTS nog steeds de beste verklaring is. Bij nieuwe of toenemende strekzwakte of blijvend gevoelsverlies is eerdere medische beoordeling nodig.
11. Bronnen
De links bij de uitleg verwijzen naar de gebruikte onderzoeken en bronbesprekingen. Hieronder staan ze gegroepeerd naar hun functie. Onderzoek naar een andere aandoening is in de tekst als vergelijking benoemd; die uitkomsten zijn geen herstel- of risicocijfers voor RTS.
RTS: klachten, onderzoek en behandeling
Werkbelasting en vergelijkbare zenuwklachten
Finse studie naar werkbelasting en ziekenhuisdiagnoses van ulnaire zenuwproblemen (2021).
Shiri en Falah-Hassani (2015). Computer use and carpal tunnel syndrome: A meta-analysis.
Andersen en collega’s (2003). CTS-achtige klachten bij computergebruikers.
Cochrane. Ergonomische hulpmiddelen en werkhouding bij carpaal tunnel syndroom.
Langdurige pijn, waarneming en behandeling
Schubiner en collega’s (2024). Klinische beoordeling van 222 mensen met langdurige rug- of nekpijn.
Fisher, Hassan en O’Connor (1995). Casus van een spijker door een schoen zonder voetletsel, besproken in de klinische gids van Clarke, Schechter en Schubiner.
Boeken en klinische expertbronnen
Clarke, Schechter en Schubiner (2022). A Diagnostic Guide for Psychophysiologic Disorders. Gebruikt voor de klinische uitleg van positieve klachtenpatronen, niet als een gevalideerde RTS-test.
Clair en Amber Davies (2014). Handboek triggerpoint-therapie. Gebruikt voor de besproken spier- en uitstralingspatronen, vooral p. 117–119, 131–134, 146–148 en 162–168. Dit zijn klinische expertbeschrijvingen, geen RTS-behandelpercentages.
Ervaring en demonstraties
Het verhaal van Mariët is een persoonlijke ervaring met nek-, schouder- en elleboogklachten. De uitlegvideo’s en de voorbeelden in hoofdstuk 8 verduidelijken een mechanisme; ze zijn geen behandelonderzoek bij RTS.
BreinMedicijn biedt zelf het programma en de analyses aan waarnaar dit artikel verwijst.





